Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

 English version

Brans Brief nummer 9, jaargang 8, september 2005

 

In dit nummer van Brans Brief:
 

Rekenrente van 4% niet meer prudent

Gevolgen Zorgverzekeringswet voor pensioenuitvoerders

Aanpassing opbouwpercentages bij pensioenleeftijd vóór 65 jaar

Pensioenfondsen en BTW

Rekenrente van 4% niet meer prudent ondanks uitstel Financieel Toetsingskader

Op 12 september 2005 heeft De Nederlandsche Bank (DNB) bekend gemaakt dat het Financiële Toetsingskader voor pensioenfondsen pas per 1 januari 2007 van kracht zal zijn. De hoofdreden is dat de parlementaire behandeling van de nieuwe pensioenwet naar verwachting niet op tijd zal zijn afgerond om invoering per 1 januari 2006 mogelijk te maken. Betekent dit dat de traditionele rekenrente van 4% nog kan worden gebruikt in de toereikendheidstoets over boekjaren 2005 en 2006 met betrekking tot nominale pensioenverplichtingen exclusief toekomstige indexatie? Watson Wyatt Brans & Co is van oordeel dat een rekenrente van 4% niet prudent is zolang de actuele marktrente (zie noot 1) lager is dan 4%. Tenzij de overheid uitdrukkelijk anders instrueert, veronderstellen wij dus dat de verplichtingen in de toereikendheidstoets dan niet dienen te worden gewaardeerd met 4% rekenrente.

De motivatie is als volgt. Volgens de huidige regels dient de certificerende actuaris die de toereikendheidstoets uitvoert, zich een eigen oordeel te vormen over de toereikendheid. Daarbij geldt het voorschrift dat de technisch benodigde voorziening voor de pensioenverplichtingen berekend moet worden op prudente grondslagen, inclusief een rekenrente van maximaal 4%. Ook de Europese pensioenrichtlijn 2003/41/EG schrijft het gebruik van een prudente rentevoet voor. Verder stelt deze richtlijn dat de voorziening voldoende moet zijn “om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden kan worden voortgezet en om de verplichtingen te weerspiegelen die voorvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers”.

Volgens de richtlijn dient niet alleen de voorziening steeds door activa te zijn gedekt, maar moet het fonds ook permanent een buffer van eigen vermogen aanhouden. Dit is een solvabiliteitsmarge die “vrij van alle voorzienbare verplichtingen” dient te zijn. Naar ons oordeel is het gevolg dat de voorziening minimaal gelijk dient te zijn aan de actuele marktwaarde van een fictieve spiegelbeeldportefeuille met risicovrije obligaties die de verwachte verplichtingen precies afdekken. Die marktwaarde komt per definitie exact overeen met discontering op basis van de marktrente.

Stel nu dat de actuele termijnstructuur van de marktrente gelijkwaardig is aan een rentevoet van 3,7% voor alle looptijden. Een geldbedrag ter grootte van de voorziening berekend tegen 4% rente is dan niet toereikend om de spiegelbeeldportefeuille te kunnen aanschaffen. Een hogere disconteringsvoet leidt immers tot een lagere voorziening. Voor een gemiddeld pensioenfonds bedraagt het tekort dan ongeveer 4 à 6% van het benodigde bedrag. Dat disconteren met een rentevoet hoger dan de marktrente niet prudent is, kan ook anders worden aangetoond. Wie uitgaat van een hoger rendement, neemt impliciet een voorschot op gunstige beleggingsresultaten, terwijl er volgens de Europese richtlijn juist een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht moet worden genomen. Uiteraard is het lang niet zeker dat die gunstige beleggingsresultaten zullen worden gerealiseerd, of het nu de korte of de lange termijn betreft. De aldus berekende voorziening is in die zin dus geen volledige weerspiegeling van alle verplichtingen. Dat betekent meteen dat de bijbehorende solvabiliteitsbuffer niet vrij is van voorzienbare verplichtingen.

Actuele marktrente en rekenrente (in %) voor waardering van nominale pensioenverplichtingen exclusief toekomstige indexatie

  1. Met de actuele marktrente wordt hier bedoeld: de rentevoet die precies gelijkwaardig is aan de actuele termijnstructuur, met inachtneming van de looptijden en de bedragen van de nominale pensioenverplichtingen bij het desbetreffende pensioenfonds.
  2. Tot 1990: CBS kapitaalmarktrente; vanaf 1990: geraamde actuele marktrente voor een gemiddeld pensioenfonds.
  3. Bronnen: Watson Wyatt Brans & Co en Rekenen op rente, Actuarieel Genootschap, 1998.
  4. Raming op basis van voorlopige informatie (30 september 2005).

Naar boven

Gevolgen Zorgverzekeringswet voor pensioenuitvoerders

Per 1 januari 2006 krijgen pensioenuitvoerders te maken met de nieuwe Zorgverzekeringswet. Op grond van deze wet wordt het onderscheid tussen ziekenfonds- en particulier verzekerden opgeheven. Dit betekent dat pensioenuitvoerders op alle uit te betalen pensioenen een inkomensafhankelijke bijdrage van ca. 4,4% moeten inhouden. Hierbij geldt een maximum inkomen van ca. € 30.000. Over de AOW-uitkering is echter een inkomensafhankelijke bijdrage van ca. 6,5% verschuldigd. De bijdrage moet worden afgedragen aan de Belastingdienst. De inkomensafhankelijke bijdrage over aanvullende pensioenen is verlaagd om de koopkracht van mensen met een AOW, VUT of prepensioenuitkering te beschermen.

De pensioengerechtigde draagt de inkomensafhankelijke bijdrage in beginsel zelf. De pensioenuitvoerder hoeft hieraan niet bij te dragen. In sommige gevallen echter is in het pensioenreglement bepaald dat de pensioengerechtigde wél recht heeft op (gedeeltelijke) premiecompensatie voor de ziektekostenverzekering. In dat geval blijft de pensioenuitvoerder onder de nieuwe wet gehouden om de premie te compenseren. Omdat de wijze van financiering van de ziektekostenverzekering wijzigt, is het aan te raden om te controleren of de formulering van de premiecompensatie in het pensioenreglement onder de werking van de nieuwe wet mogelijk tot extra kosten leidt. Indien dat het geval is, dient het pensioenreglement op dit punt tijdig te worden aangepast. Naast de inkomensafhankelijke bijdrage betaalt de pensioengerechtigde rechtstreeks aan de ziektekostenverzekeraar een nominale premie van ca. € 1.100 per jaar voor het door hem gekozen ziektekostenpakket. Hiermee heeft de pensioenuitvoerder in beginsel geen bemoeienis.

Naar boven

Aanpassing opbouwpercentages bij pensioenleeftijd vóór 65 jaar

Na invoering van de Wet VPL mag in de pensioenregeling een pensioenleeftijd gelegen vóór 65 jaar worden opgenomen, mits de omvang van het op te bouwen ouderdomspensioen (hierna OP) niet hoger is dan het, met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, naar de lagere pensioenleeftijd herrekende fiscaal maximale OP ingaande op 65 jaar. De belastingdienst heeft in het Besluit vraag en antwoord 05-046 d.d. 22/08/2005 de maximale, ten opzichte van de 65-jarige leeftijd herrekende, opbouwpercentages opgenomen voor het OP ingaande op leeftijd 60 tot en met 65 jaar. Voor de hoogte van deze percentages verwijzen wij naar dit Besluit. Dit heeft overigens niet tot gevolg dat ook de maximale opbouwpercentages per (bereikbaar) dienstjaar voor het nabestaandenpensioen(hierna NP) en het wezenpensioen actuarieel herrekend moeten worden. Een en ander moet wel worden gebaseerd op de in de pensioenregeling neergelegde pensioendatum.Voorts heeft de Belastingdienst de opbouwpercentages opgenomen ingeval het NP wordt uitgedrukt in een percentage van het OP. Een lagere pensioenleeftijd heeft in dat geval, naast een lager OP, een lager NP tot gevolg. Impliciet vindt er dan uitruil plaats van het NP naar het OP in de verhouding 100:70. Belangrijk hierbij te vermelden is dat de partner instemt met deze jaarlijkse uitruil. Terzake van de beschikbare premieregelingen kunnen vanaf de inwerkingtreding van de wet VPL alleen nog de staffels gebaseerd op pensioenleeftijd 65 worden gehanteerd uit bijlage 1 van het Besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M. Bij vervroegde ingang van het pensioen is het dan aanwezige kapitaal de tegenwaarde van de herrekende aanspraken ten opzichte van 65 jaar.

Naar boven

Pensioenfondsen en BTW

De hoofdregel is dat een onderneming BTW in rekening brengt. De BTW die door andere ondernemingen in rekening is gebracht, is aftrekbaar. Een pensioenfonds is vrijgesteld van BTW en kan geen voordruk aftrekken. De Belastingdienst schijnt aan verschillende bedrijven de toezegging te hebben gedaan dat geen BTW verschuldigd is over de werkzaamheden van het concern ten behoeve van het eigen ondernemingspensioenfonds. Het is niet uitgesloten dat een dergelijke afspraak in strijd is met de wet. Bovendien zou van verboden staatssteun sprake kunnen zijn. De Belastingdienst heeft alle afspraken met belastingplichtigen die mogelijk in strijd zijn met de wet moeten melden aan het Ministerie van Financiën. Ook beleidsbesluiten die mogelijk in strijd zijn met de wet zijn in het onderzoek betrokken. Het onderzoek is neergelegd in een rapport dat op 3 juni 2004 aan de Tweede Kamer is verzonden (nr. DGB2004-3005). Uit antwoorden op Kamervragen van januari 2005 blijkt dat naheffing over het verleden waarschijnlijk niet aan de orde zal komen.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven


Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail