Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

 English version

Brans Brief nummer 10, jaargang 8, oktober 2005

 

In dit nummer van Brans Brief:
 

Aanvullende overgangsregeling Wet VPL

Principes voor goed pensioenfondsbestuur

Toetredingsleeftijd FPU+ niet in strijd met de WGBL

Aanvullende overgangsregeling Wet VPL

Met ingang van 1 januari 2006 moeten alle pensioenregelingen voldoen aan de fiscale kaders van de Wet VPL. Dit betekent dat alle pensioenregelingen qua niveau moeten worden afgestemd op het niveau van een ouderdomspensioen gericht op de 65-jarige leeftijd. Per definitie geldt geen fiscale begunstiging meer voor prepensioen, overbruggingspensioen en VUT-regelingen behoudens voor werknemers die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren. Indien geen aanpassing plaatsvindt, zal de totale pensioenaanspraak tot het loon van de werknemer worden gerekend.

Omdat is gebleken dat voor 25% van de werknemers tot op heden nog geen aanpassing is gedaan, is voorgesteld in 2006 deze categorie fiscaal tegemoet te komen. Wij wijzen er op dat dit overgangsrecht nog niet door het parlement is goedgekeurd. Werkgevers zijn onlangs door de Belastingdienst geïnformeerd over het overgangsrecht. Hoe werkt dit overgangsrecht nu? Bij voortzetting van de bestaande regeling zullen werknemers in 2006 in ieder geval niet worden geconfronteerd met negatieve gevolgen. Dit betekent dat de omkeerregel integraal van toepassing blijft. De werknemerspremie blijft aftrekbaar en de opgebouwde aanspraak zal niet tot het loon worden gerekend. Wel zal de werkgever kunnen worden geconfronteerd met een eindheffing van 52% over dat deel van de aanspraak dat leidt tot bovenmatigheid. Van bovenmatigheid is sprake als de huidige regeling, herrekend op basis van de nieuwe fiscale normen qua premievolume, hoger uitkomt. Om dit eenvoudig vast te stellen is door de Belastingdienst een rekenhulp ter beschikking gesteld (www.belastingdienst.nl/zakelijk/pensioenen).

Voor de bepaling van bovenmatigheid dient een aantal variabelen van de huidige pensioenregeling te worden ingevuld waaronder de soort regeling, het opbouwpercentage, de pensioenleeftijd en indien van toepassing de wijze waarop een nabestaandenpensioen is verzekerd. Is bijvoorbeeld sprake van een prepensioenregeling op 63 jaar in combinatie met een ouderdomspensioenregeling van 65 jaar dan dient te worden uitgegaan van een ouderdomspensioen op richtleeftijd 63 jaar. Vervolgens dient het premievolume per maand te worden ingevuld, gecorrigeerd met het premievolume ten behoeve van 55-plussers. De rekenhulp vertaalt vervolgens de uitgangspunten naar een herrekend opbouwpercentage voor ouderdomspensioen gericht op de 63-jarige leeftijd. Hierbij treedt een correctie op ter zake van een overbruggingspensioen. Extra fiscale ruimte wordt gecreëerd indien in de bestaande regeling geen sprake is van nabestaandenpensioen dan wel sprake is van een nabestaandenpensioen op risicobasis. Geeft het rekenprogramma aan dat sprake is van een eindheffing van € 0 dan is sprake van een pensioenregeling die qua premievolume blijft binnen de grenzen van een VPL-proof regeling. Het staat de werkgever vrij om aan te tonen dat op basis van de fondsgrondslagen een voor hem gunstiger resultaat wordt bereikt dan op basis van de rekenmodule.

Wij gaan er overigens van uit dat terzake van VUT-regelingen dit overgangsrecht niet van toepassing is. Er wordt althans in de communicatie geen aandacht aan besteed. Dit betekent dat de fiscale behandeling van VUT-regelingen volgens de Wet VPL onverkort wordt toegepast. De werknemerspremie is slechts voor de helft aftrekbaar en de werkgever wordt geconfronteerd met 26% eindheffing over premiestromen (behoudens 55-plussers).

In december 2005 zullen werkgevers worden gevraagd al of niet te verklaren of de pensioenregeling is aangepast aan de fiscale kaders van de Wet VPL. Dit formulier dient te worden teruggestuurd in situaties dat de pensioenregeling volledig is aangepast aan de Wet VPL dan wel als deze nog niet is aangepast maar uit de rekenhulp blijkt dat geen sprake is van eindheffing. Het formulier dient derhalve niet te worden teruggestuurd als wel sprake is van eindheffing. De Belastingdienst zal in 2006 bij werkgevers die geen verklaring hebben ingediend, controleren of zij inderdaad deze eindheffing afdragen. Wij wijzen erop dat op 1 januari 2007 de pensioenregeling wel zal moeten worden aangepast aan de Wet VPL. Zoals gesteld, kan dan per definitie geen sprake meer zijn van een prepensioen en/of overbruggingspensioen. Wel zal sprake kunnen zijn van een pensioenrichtleeftijd vóór de 65-jarige leeftijd mits het opbouwpercentage voor levenslang ouderdomspensioen wordt gecorrigeerd.

Naar boven

Principes voor goed pensioenfondsbestuur

De Minister van SZW heeft in september 2004 de Stichting van de Arbeid (STAR) verzocht om te komen met zelfregulering op het gebied van Pension Fund Governance. De STAR heeft over dit onderwerp langdurig overleg gevoerd met de Stichting Opf, de VB, het Verbond van Verzekeraars en het Coördinatieorgaan van Samenwerkende Ouderenorganisaties. Resultaat zijn de op 11 oktober 2005 in concept gepubliceerde "Principes voor goed pensioenfondsbestuur". De concepttekst zal de komende weken worden voorgelegd aan de achterbannen van zowel de STAR als de betrokken hiervoor genoemde organisaties. Daarna zal de tekst definitief worden opgemaakt en worden aangeboden aan de Minister van SZW.

Het is de wens van de STAR dat de principes in werking treden per 1 januari 2006 en dat de naleving ervan wettelijk verplicht wordt gesteld. DNB zou dan moeten gaan toezien op naleving van de principes. Pensioenfondsen zouden twee jaar, derhalve tot 1 januari 2008, de tijd moeten krijgen om de administratieve organisatie en interne controle (zonodig) aan te passen en overigens aan de principes te voldoen. Vervolgens zou in 2008 uit een evaluatie moeten blijken of de zelfregulering in de praktijk werkt.

Kern van de principes is het afleggen van periodieke verantwoording over het gevoerde beleid aan alle belanghebbenden, alsmede het realiseren van een adequaat en transparant intern toezicht. De voor de meeste pensioenfondsen belangrijkste ‘nieuwigheden’ in de principes zijn:

  • instelling van een verantwoordingsorgaan bij pensioenfondsen, waar zowel de werkgever, de deelnemers als de gepensioneerden in gelijke getale zitting hebben (en daaraan gekoppeld het eventueel opgaan van de deelnemersraad in zo'n verantwoordingsorgaan);
  • het vormgeven van intern toezicht, naar keuze door ofwel driejaarlijkse visitatie ofwel jaarlijkse interne audit;
  • interne klachten- en geschillenprocedure;
  • procedure voor periodieke evaluatie van zowel het gehele bestuur als de afzonderlijke bestuursleden, met daaraan gekoppeld de mogelijkheid van het bestuur om een bestuurslid bij disfunctioneren te vervangen;
  • het treffen van een adequaat communicatiebeleid.

Zodra de principes definitief worden zullen wij u meer in detail over dit onderwerp informeren.

Op onze website www.goedpensioenfondsbestuur.nl vindt u commentaar van Watson Wyatt op de concept principes. Ook treft u daar een uiteenzetting aan over de PFG-cyclus, een praktisch hulpmiddel bij het denken over goed pensioenfondsbestuur.

Naar boven

Toetredingsleeftijd FPU+ niet in strijd met de WGBL

Recentelijk hebben zowel de rechtbank Breda als de Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB) geoordeeld dat het FPU+-arrangement, op grond waarvan uitsluitend FPU-gerechtigde medewerkers geboren vóór 1 januari 1948 kunnen uitstromen, niet in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid ( WGBL).

Bij de beoordeling van het FPU+-arrangement, dat vergelijkbaar is met een VUT-voorziening, hebben zowel de rechtbank als de CGB bekeken in hoeverre het FPU+-arrangement kan worden beschouwd als een pensioenvoorziening in de zin van de WGBL. Beide instanties hebben geoordeeld dat het FPU+-arrangement aan alle criteria van de WGBL voldoet om als pensioenvoorziening te kunnen worden aangemerkt. De CGB heeft expliciet aangegeven dat het FPU+-arrangement kan worden aangeduid als een bijzondere, tijdelijke pensioenvoorziening voor werknemers die in aanmerking komen voor ontslag in verband met de reductie van het aantal arbeidsplaatsen.

Nu het FPU+-arrangement volgens beide instanties moet worden bestempeld als een pensioenvoorziening in de zin van de WGBL, oordelen de rechtbank en de CGB dat het in het arrangement gemaakte leeftijdsonderscheid onder de wettelijke uitzonderingsgrond (toetredingsleeftijd) valt en daarmee geen strijd met de WGBL oplevert.
Mede gelet op de parlementaire geschiedenis omtrent het begrip pensioenvoorziening betwijfelen wij of dit begrip dusdanig kan worden opgerekt dat een FPU+-arrangement eveneens onder dit begrip valt. Wij zijn van mening dat de wettelijke uitzonderingsgrond van de WGBL geenszins van toepassing is op het onderhavige FPU+-arrangement en dat dan ook een objectieve rechtvaardigingsgrond moeten worden gevonden om dit leeftijdonderscheid te rechtvaardigen.
Of de recente uitspraak van de rechtbank, dan wel het oordeel van de CGB stand zullen houden, dan wel worden vernietigd door een instantie in hoger beroep, zal moeten worden afgewacht.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven


Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail