Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

 English version

Brans Brief nummer 4, jaargang 9, april 2006

 

In dit nummer van Brans Brief:

Gevolgen van de Europese richtlijn voor het beleggingsbeleid van Nederlandse Pensioenfondsen

Gangbaarheidstoets voor de directeur grootaandeelhouder nader getoetst

Seminar Pensioenwet

Gevolgen van de Europese richtlijn voor het beleggingsbeleid van Nederlandse Pensioenfondsen

Sinds 8 februari jl. is de Pensioen- en spaarfondsenwet (hierna: PSW) gewijzigd naar aanleiding van de implementatie van een Europese richtlijn1 voor pensioenfondsen. Als gevolg van deze richtlijn zal een Nederlands pensioenfonds haar beleggingsbeslissingen vanuit de prudent person-gedachte moeten nemen. Daarnaast is het pensioenfonds verplicht de informatievoorziening aan haar deelnemers en pensioengerechtigden aan te passen door middel van een verklaring inzake beleggingsbeginselen. De belangrijkste gevolgen voor het beleggingsbeleid van pensioenfondsen komen hieronder aan de orde.

Prudent person-regel
De Nederlandse pensioenwetgeving heeft model gestaan voor de geïmplementeerde Europese richtlijn. Vandaar dat de prudent person-regel in grote mate overeenkomt met dat wat de Nederlandsche Bank ‘op solide wijze’ beleggen noemt. Daarbij moeten de beleggingen voldoen aan kwalitatieve beginselen van veiligheid, kwaliteit en spreiding van risico's. Samengevat bestaat de prudent person-regel uit de volgende voorschriften, zie artikel 9ba lid 1 a t/m f PSW:

  1. de activa worden belegd in het belang van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden;
  2. de activa worden zodanig belegd dat de kwaliteit, veiligheid, liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd. Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;
  3. de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd;
  4. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken;
  5. de activa worden naar behoren gediversifieerd;
  6. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel; ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille.

Ten slotte staat een nieuw voorschrift in artikel 9ba lid 4 PSW:
Het is een pensioenfonds of beroepspensioenfonds verboden leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te treden, tenzij de lening tijdelijk wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen.

In de memorie van toelichting staat verder dat het verstrekken van leningen, in tegenstelling tot het aangaan en garanderen van leningen, wel gerekend wordt tot de normale activiteiten van de pensioenfondsen.

Informatievoorziening aan deelnemers
Pensioenfondsen dienen verplicht een verklaring inzake beleggingsbeginselen op te stellen en op te nemen in de ABTN. De verklaring dient op verzoek van deelnemers en pensioengerechtigden beschikbaar gesteld te worden. Verder dient de verklaring om de drie jaar én na iedere belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid te worden herzien. De nieuwe richtlijn noemt drie onderwerpen die de verklaring ten minste moet omvatten:

  1. Toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s
  2. Strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen
  3. Risicobeheerprocedures

Aangezien het een verklaring betreft die bedoeld is voor deelnemers en pensioengerechtigden zullen pensioenfondsen kunnen volstaan met een bondige en kwalitatieve beschrijving van de onderwerpen. De eerste twee onderwerpen verplichten pensioenfondsen tot het uitleggen van de keuzes van de in de portefeuille opgenomen beleggingscategorieën. Het uitleggen van de strategische allocatie aan de participanten van het pensioenfonds kan middels de resultaten van een Asset Liability Model en/of Risk Budgeting studie. Hierbij worden op basis van de kenmerken van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen risico’s gemeten en in kaart gebracht in de context van de moderne portefeuilletheorie.

Het derde onderwerp behelst de besluitvormingsprocedures van het proces van strategische beleggingsbeslissingen en de wijze waarop hier verantwoording over wordt afgelegd. Dit onderwerp is aldus nauw verbonden met pension fund governance en de manier waarop taken en bevoegdheden zijn gedelegeerd.

Conclusie
Als gevolg van de aanpassingen in de PSW zijn andere voorschriften gaan gelden voor het beleggingsbeleid en worden andere eisen aan de informatievoorziening gesteld. De richtlijn schrijft voor dat pensioenfondsen vanuit de prudent person-regel dienen te handelen. Deze regel voegt een nieuw element toe aan wat de Nederlandsche Bank ‘op solide wijze’ beleggen noemt. De regel schrijft voor dat pensioenfondsen geen leningen mogen aangaan of garanderen tenzij deze tijdelijk en uitsluitend worden aangegaan om de liquiditeitsdoelstellingen te verbeteren.

Ten slotte zullen pensioenfondsen door de implementatie van de richtlijn een uitgebreidere informatievoorziening dienen te treffen naar deelnemers en gepensioneerden toe. Hiertoe dient een verklaring inzake beleggingsbeginselen opgesteld te worden en opgenomen in de ABTN. Het stuk dient actueel te zijn en in te gaan op de risico’s van het beleggingsproces en hoe deze worden beheerst.


1 Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Meer weten? Neem contact op met Rik Brouwer.

Naar boven

Gangbaarheidstoets voor de directeur grootaandeelhouder nader getoetst

Het huidige artikel 10c Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 schrijft voor dat in de situatie dat een directeur grootaandeelhouder (hierna: dga) zijn pensioen (gedeeltelijk) in eigen beheer opbouwt, voor de hoogte van de opbouw aangesloten dient te worden bij het niveau dat in de collectieve sfeer gebruikelijk is. Met andere woorden, de collectieve regelingen bepalen de trend met betrekking tot de vraag “wat is een maatschappelijk redelijk pensioen voor een dga”.

In genoemd artikel is bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen een toetsingskader opgenomen voor elementen in de pensioenregeling van een dga waaraan minimaal dient te worden voldaan. Het betreft het volgende:

  • loon in natura behoren niet tot het pensioengevend loon;
  • de eigen bijdrage kan nooit hoger zijn dan de bijdrage van de werkgever;
  • de AOW-franchise dient minimaal 10/7 van de AOW- uitkering voor een ongehuwde te bedragen;
  • een nabestaandenpensioen kan alleen verzekerd worden indien een mogelijke nabestaande of wees kan worden aangewezen.

In het kader van de invoering van de Wet VPL en de in de praktijk toegepaste oplossingen is de vraag gerechtvaardigd in hoeverre volgens de voorschriften van het Uitvoeringsbesluit sprake kan zijn van een gangbare regeling. Het betreft hier dan met name de eisen met betrekking tot de AOW-inbouw en het nabestaandenpensioen. Naar onze mening wordt in collectieve regelingen in het algemeen geen of zeer weinig invulling gegeven aan de overige twee voorschriften.

Door het afschaffen van de fiscale begunstiging voor vroegpensioen is met name door de (grote) pensioenfondsen compensatie gezocht in de verlaging van de AOW-franchise (vaak tot het fiscaal minimumbedrag van € 11.566) en introductie van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis. Het nabestaandenpensioen op opbouwbasis dient uit het oogpunt van gelijke behandeling toegezegd te worden zowel aan deelnemers met een partner als aan deelnemers zonder partner. Een dga kan op grond van het Uitvoeringsbesluit slechts nabestaandenpensioen opbouwen indien een partner kan worden aangewezen. Kortom structurele wijzigingen die als maatschappelijke norm kunnen worden beschouwd. Het lijkt ons dan ook wenselijk dat op korte termijn het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt geactualiseerd.

Meer weten? Neem contact op met Eric Heemskerk.

Naar boven

Seminar Pensioenwet

De Tweede Kamerbehandeling van de Pensioenwet is inmiddels in volle gang. Duidelijk is in ieder geval dat de Pensioenwet belangrijke wijzigingen zal brengen voor zowel pensioenuitvoerders als werkgevers. Het is dan ook van belang om tijdig op de hoogte te zijn van de wijzigingen die de Pensioenwet met zich mee brengt. Wij willen u daarover graag informeren en nodigen u daarom uit op een van onze seminars Pensioenwet.

Op onze website (www.pwactueel.nl) kunt u zich aanmelden. U vindt daar ook meer informatie over de tijdstippen en de locaties van de seminars. Deelname is kosteloos.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven


Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail