Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

 English version

Brans Brief nummer 6, jaargang 9, juni 2006

 

In dit nummer van Brans Brief:

Nieuwe stap in Europese fiscale behandeling van pensioenen?

Evaluatie Vrijstellingsbesluit Wet BpF 2000

Wijzigingen in pensioen, arbeidsongeschiktheids- en ziektekostenregelingen: Wat doet ‘de markt’?

Nieuwe stap in Europese fiscale behandeling van pensioenen?

Op 1 juni 2006 heeft de advocaat generaal bij het Europese Hof van Justitie een conclusie gepubliceerd in een zaak tussen de Europese commissie en Denemarken met betrekking tot de fiscale behandeling van pensioenen (zaak C-150/04). Met de conclusie van de advocaat generaal in deze zaak, lijkt er na de Bachmann, Danner en Skandia zaken weer een volgende stap te komen in het slechten van fiscale barrières voor grensoverschrijdende dienstverlening op het gebied van pensioenen.

De Deense fiscale wetgeving kent verschillende regimes voor pensioenregelingen, naar gelang deze al dan niet door een Deense aanbieder worden uitgevoerd. In Denemarken gevestigde aanbieders kennen een aanmerkelijk gunstiger regime voor wat betreft de aftrekbaarheid van betaalde pensioenpremies. De advocaat generaal concludeert dat hiermee ten onrechte de mogelijkheden aan Deense verzekeringnemers wordt ontnomen om pensioenpolissen af te sluiten bij buiten Denemarken gevestigde aanbieders.

De Deense overheid heeft aangevoerd dat de gehanteerde praktijk met verwijzing naar de Bachmann-zaak geoorloofd is omdat op die wijze dat samenhang van het Deense fiscale stelsel gewaarborgd blijft. De advocaat generaal is het daar niet mee eens. De Deense fiscale regelgeving leidt tot discriminatie van verzekeraars die geen zetel in Denemarken hebben. Bovendien is hiervoor geen goede rechtvaardiging gegeven. Noch de waarborging van de samenhang van het Deense fiscale stelsel, noch de benodigde werkzaamheid van de fiscale controle bieden daartoe voldoende grond. Er kan dan ook geen gerechtvaardigd beroep op het algemeen belang worden gedaan.

Indien deze conclusie door het Europese Hof nagevolgd wordt, zal Denemarken zijn pensioenmarkt moeten openen voor buitenlandse aanbieders. Een werking van een dergelijk arrest zal echter verder reiken dan de Deense grenzen.

Meer weten? Neem contact op met Rick Crauwels.

Naar boven

Evaluatie Vrijstellingsbesluit Wet BpF 2000

In opdracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn de ervaringen van werkgevers, werknemers en pensioenuitvoerders met het Vrijstellingsbesluit in kaart gebracht. Het betreft de periode 2000-2004. In deze periode zijn bij de onderzochte groep bedrijfstakpensioenfondsen in totaal bijna 700 vrijstellingsverzoeken ingediend. Tweederde daarvan was gebaseerd op de verplichte vrijstellingsgronden en éénderde op ‘andere redenen’ (onverplicht).

De resultaten van de evaluatie zijn als volgt:

  • Bij 47 van de 63 onderzochte fondsen stonden vrijgestelde werkgevers geregistreerd.
  • Het aantal vrijgestelde werkgevers per fonds bedroeg minimaal 0,1% en maximaal 6,5%.
  • Er is geen duidelijke trend in de omvang van het aantal werkgevers met een vrijstelling. Wel is een verschuiving geconstateerd van onverplicht naar verplicht verleende vrijstellingen.
  • Ongeveer 50% van het aantal ingediende verzoeken heeft geleid tot een vrijstelling.
  • Eénderde van de vrijstellingsverzoeken is afgewezen. De belangrijkste afwijzingsgronden betreffen een niet gelijkwaardige pensioenregeling en een vrijstellingsverzoek voor individuele werknemers.
  • Ruim 15% van de verzoeken is voortijdig ingetrokken. De belangrijkste reden daarvoor is het (toch) ontbreken van een eigen pensioenvoorziening.

In onderstaande tabel is aangegeven van welke vrijstellingsgronden gebruik is gemaakt:

Vrijstellingsgronden

Aantal ingediende verzoeken

Aantal verleende vrijstellingen

Aantal betrokken fondsen

Bestaande pensioenvoorziening

357

208

20

Concernvorming

55

122

8

Eigen CAO

10

12

5

Onvoldoende beleggingsrendement

11

Nog niet bekend

2

Andere redenen (onverplicht)

197

224

13

Verschillen tussen het aantal ingediende en verleende vrijstellingen alsmede in de totaalcijfers zijn vooral veroorzaakt door de wijze van registreren. Zo wordt het verzoek om vrijstelling vanwege concernvorming doorgaans als één verzoek geregistreerd, terwijl de verleende vrijstellingen apart worden geregistreerd.

De reden dat een relatief groot aantal vrijstellingsverzoeken vanwege een bestaande pensioenvoorziening niet is gehonoreerd ligt in de volgende situatie:

  • Het (toch ) ontbreken van een eigen pensioenvoorziening
  • Aanvrager valt buiten de werkingssfeer van het fonds
  • De aanvraag heeft betrekking op een individuele werknemer.

Vrijstellingsverzoeken op grond van onvoldoende beleggingsrendement zijn nog niet afgewikkeld. Het betreft doorgaans een tijdrovende procedure.
Het aantal (onverplicht) verleende vrijstellingen om ‘andere redenen’ is hoger dan het aantal ingediende verzoeken, omdat fondsen ook vrijstelling verlenen als de aanvrager niet volledig voldoet aan de voorwaarden, die zijn verbonden aan de verplichte vrijstellingsgronden.

Op grond van de evaluatie heeft de Minister geconcludeerd dat de informatieverschaffing naar werkgevers verbetering verdient. Dit zal door de fondsen zelf worden opgepakt. De evaluatie geeft tenslotte geen aanleiding tot aanpassing van het Vrijstellingsbesluit.

Meer weten? Neem contact op met Kees den Blanken.

Naar boven

Wijzigingen in pensioen, arbeidsongeschiktheids- en ziektekostenregelingen: Wat doet ‘de markt’?

In april/mei heeft Watson Wyatt een beknopt onderzoek uitgevoerd naar wijzigingen op het gebied van enkele belangrijke arbeidsvoorwaardelijke regelingen. Door de invoering van nieuwe wet- en regelgeving zijn ondernemingen gedwongen hun regelingen op het gebied van VUT/prepensioen, arbeidsongeschiktheid en ziektekosten te wijzigen. Het gaat hier om veelal ingrijpende wijzigingen die tegelijkertijd moesten worden doorgevoerd, zonder dat men hierbij de beschikking had over actuele marktinformatie. In het totaal hebben 114 bedrijven deelgenomen aan het onderzoek. Hieronder staan de belangrijkste resultaten.

Pensioen en levensloop

  • Het grootste deel van de deelnemende bedrijven (83%) heeft vóór 1 januari 2006 afspraken gemaakt om de pensioenregeling aan te passen aan de Wet VPL. Bijna de helft van de bedrijven heeft in de pensioenregeling onderscheid gemaakt tussen de groep 55 plus en 55 min. In nagenoeg alle gevallen is de nieuwe pensioenleeftijd verschoven naar 65 jaar.
  • Het opbouwpercentage is bij veel bedrijven (73%) gestegen en de franchise gedaald (bij 59% van de bedrijven).

     

    2005

    2006

    Opbouwpercentage

    1,9%

    2%

    Franchise

    €13.946

    €13.143

  • Dit duidt er op dat het wegvallen van het prepensioen wordt ondervangen door verruiming van de opbouw van het ouderdomspensioen ingaand op 65 jaar. Immers, het opbouwpercentage, de hoeveelheid pensioen die men jaarlijks spaart, is in 2006 gestegen. De franchise, het deel van het salaris waarover geen pensioen wordt gespaard, is gedaald. Hierdoor kunnen werknemers meer pensioen opbouwen om zo toch eerder dan op hun 65e te kunnen stoppen met werken.
  • Een ruime meerderheid (77%) draagt niet bij aan de levensloopregeling. Van de bedrijven die wel een werkgeversbijdrage verstrekken, bedraagt de gemiddelde bijdrage aan de levensloopregeling 2,7% van het basis jaarsalaris.

Arbeidsongeschiktheid

  • Ongeveer tweederde van de bedrijven kent in aanvulling op de nieuwe WIA-wetgeving een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe aan arbeidsongeschikte werknemers voor het salarisdeel zowel onder als boven het maximum WIA loon. Opvallend hierbij is dat 29% van de bedrijven, die een dekking onder het maximum WIA-loon aanbieden (de ‘WGA-hiaatdekking’ genoemd), dit vooralsnog doet via het pensioenfonds. De Nederlandsche Bank is van mening dat een pensioenfonds formeel geen dekking mag verlenen voor het WGA-hiaat. Zie in dit verband onze vorige Brans Brief.
  • Bij verreweg de meeste bedrijven (87%) wordt de pensioenopbouw voortgezet over het volledige salaris voorafgaand aan de eerste dag van ziekte.

Ziektekostenverzekering

  • Bijna alle deelnemende bedrijven bieden hun medewerkers een collectief ziektekostencontract aan, waarbij deelname voor pensioengerechtigden bij meer dan de helft van de bedrijven mogelijk is.
  • Bijna de helft van de bedrijven verstrekt een bijdrage voor één of meer aanvullende ziektekostenverzekeringen. De hoogte van deze vergoeding bedraagt bij 64% van de bedrijven gemiddeld € 99 per jaar. De overige 36% van de bedrijven vergoedt gemiddeld 55% van de verzekering.

  • Zie het volledige onderzoeksrapport

    Meer weten? Neem contact op met Monique Driessen.

    Naar boven

    Vragen of opmerkingen?

    Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

    Naar boven


    Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

    © 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
  • Contact
    Overzicht actuele berichten 

    Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

    Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

    Vragen & Opmerkingen 

    Ontvang de nieuwsbrief per e-mail