![]() | 0 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
In dit nummer van Brans Brief:
Met behulp van gedetailleerde informatie per einde 2005 over een groot aantal pensioenfondsen en het verloop van algemene indices en rentestanden hebben wij een ruwe schatting gemaakt van de financiële positie van een gemiddeld pensioenfonds per 1 oktober 2006. Enkele toonaangevende pensioenfondsen hebben tot nu toe in 2006 hogere rendementen gerealiseerd op zakelijke waarden dan wij hier veronderstellen op basis van de MSCI wereldindex. Daardoor zijn onze ramingen waarschijnlijk enigszins aan de voorzichtige kant.
Algemeen beeld
Watson Wyatt Brans & Co ziet de toekomst van de Nederlandse pensioenfondsen met vertrouwen tegemoet. Dit is niet zozeer ingegeven door de hier vermelde ramingen, die slechts een momentopname zijn, als wel door de gebleken bereidheid om wanneer nodig doortastend op te treden en gepaste herstelmaatregelen door te voeren. Dat in minder goede tijden de pensioenpremies verhoogd worden en de voorwaardelijke indexatie gekort wordt, is nu bijna een integraal onderdeel van het in Nederland gangbare pensioensysteem. Bovendien zijn premiekortingen pas toegestaan wanneer niet alleen de onvoorwaardelijke, maar ook de voorwaardelijke pensioenen zijn gewaarborgd. Tezamen met de wettelijk vereiste solvabiliteitsbuffers leidt dit tot een veerkrachtige, schokbestendige vorm van kapitaaldekking. Daardoor blijven pensioenafspraken houdbaar en geloofwaardig.
In de moeilijke jaren tussen 2000 en 2005 leken de Nederlandse pensioenfondsen in een vicieuze cirkel te belanden: dalende aandelenkoersen, rentestanden en dekkingsgraden; daardoor meer behoefte aan nominale zekerheid, dus meer vraag naar obligaties, waardoor de rentestanden en de dekkingsgraden nog verder zakten. Sindsdien is sprake van significant herstel, dat mede is veroorzaakt door de maatregelen die zijn genomen om de tekorten te financieren.
De financiële ruimte voor toekomstige indexatie is echter nog steeds ruimschoots onder de 100 %.
In hoeverre er feitelijk geïndexeerd wordt, zal afhangen van het indexatiebeleid van het desbetreffende fonds en in het bijzonder van een eventuele indexatiestaffel. Dat de indexatie slechts gedeeltelijk gedekt is door kapitaal, betekent dus niet dat deze meteen moet worden gekort. Het betekent wel dat de mate waarin de nu reeds bestaande pensioenaanspraken in de toekomst kunnen worden geïndexeerd, meer zal afhangen van toekomstige premies en toekomstige overrendementen.
Tussen pensioenfondsen bestaan overigens grote verschillen voor wat betreft dekkingsgraden en indexatieruimte. Die verschillen komen hieronder niet tot uiting.
Dekkingsgraad nominale variant
Wij ramen de gemiddelde dekkingsgraad op 125 à 130 % per 1 oktober 2006. (Einde 2005: 120 à 125 %.) Hierbij is toekomstige indexatie niet in aanmerking genomen.
Dekkingsgraden waardevaste variant
Als we uitgaan van de hypothese dat alle opgebouwde, premievrije en ingegane pensioenen jaarlijks geïndexeerd moeten worden op basis van de Europese prijsindex, dan komt de gemiddelde dekkingsgraad per 1 oktober 2006 uit op 85 à 90 %.
(Einde 2005: 80 à 85 %.)
Indexatieruimte
De indexatieruimte komt volgens onze schattingen gemiddeld uit op 55 à 60 % per 1 oktober 2006.
(Einde 2005: 45 à 50 %.) Dat betekent dat ruim de helft van de toekomstige indexatieverhogingen is gedekt door kapitaal. Een dekkingsgraad van 100 % in de waardevaste variant komt gemiddeld overeen met 145 à 150 % in de nominale variant. Dit is overigens geen vuistregel, gezien de grote verschillen tussen pensioenfondsen met betrekking tot de rentegevoeligheid, ofwel duratie, van de verplichtingen.
Slechte tijden, goede tijden
Om praktische redenen hebben vrijwel alle pensioenfondsen een aanzienlijke mismatch tussen hun activa en passiva, vooral als de indexatieambities worden meegerekend. Uitgaande van dat gegeven moet men wel accepteren dat dekkingsgraden sterk kunnen stijgen of dalen ten gevolge van ontwikkelingen in de financiële markten. Los van de wettelijk vereiste solvabiliteitsbuffer is dat een goede reden om stelselmatig buffers aan te houden die kunnen worden aangesproken in slechte tijden, maar moeten worden hersteld in goede tijden. Dit relativeert het geconstateerde herstel.
Waarderingsmethode |
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
De Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB) heeft op 28 augustus jl. de vraag beoordeeld of het handhaven van een prepensioenregeling voor 55-plussers en het hanteren van een toetredingsleeftijd bij een compensatieregeling voor 55-minners, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert. Ook wil de werkgever graag weten of de compensatieregeling ook op toekomstig personeel van toepassing verklaard kan worden zonder verboden onderscheid naar leeftijd te maken (oordeel 2006-187).
De regeling zoals voorgelegd aan de CGB, is de volgende. Op grond van het overgangsregime van de Wet afschaffing VUT, prepensioen en introductie levensloopregeling (hierna: Wet VPL) blijft de prepensioenregeling, voor werknemers die op 31 december 2004 55 jaar of ouder waren, bestaan. Ter compensatie van het verlies van prepensioenrechten van de werknemers die op bovengenoemde datum jonger dan 55 jaar waren, is een regeling opgesteld waarin werknemers vanaf 40 jaar jaarlijks een werkgeversbijdrage van 6% van het vaste salaris inclusief het vakantiegeld ontvangen. Deze bijdrage wordt in een levensloopregeling gestort.
Op grond van de Wet gelijke behandeling van leeftijd bij de arbeid is het verboden om onderscheid naar leeftijd te maken in een pensioenregeling, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd kan worden. Eerder heeft de CGB al geoordeeld (2006-62) dat de Wet VPL niet vanzelfsprekend met zich meebrengt dat een leeftijdsonderscheid geoorloofd is. Om het leeftijdsonderscheid objectief te rechtvaardigen zal een legitiem doel moeten worden aangetoond waartoe het middel passend en noodzakelijk is.
Over het handhaven van de prepensioenregeling voor werknemers van 55 jaar of ouder, vraagt de CGB zich af of er feitelijk sprake is van leeftijdsonderscheid. Zowel de prepensioenregeling als de compensatieregeling stellen medewerkers in de gelegenheid op 62-jarige leeftijd te stoppen met werken.
Tussen de werkgeversbijdrage bij de prepensioenregeling en de compensatieregeling bestaat weliswaar een verschil van 2%. Dit verschil is gelegen in het feit dat de 55-minners gebruik makend van de levensloopregeling fictief langer doorwerken dan de 55-plusser. De 55-plusser treedt met 62 jaar uit dienst en een 55-minner blijft tot 65 jaar in dienst en bouwt tot 65 jaar ouderdomspensioen op. De CGB stelt hier dus dat feitelijk geen sprake is van leeftijdsonderscheid. Omdat de compensatieregeling geen pensioenvoorziening is, moet gekeken worden of de toetredingsleeftijd van 40 jaar objectief gerechtvaardigd is. Volgens de CGB is het doel legitiem, omdat het voldoende zwaarwegend en niet discriminerend is. Deze conclusie wordt gebaseerd op het feit dat het niet hanteren van een toetredingsleeftijd het doel van de compensatieregeling overstijgt, aangezien het werknemers onder de 40 jaar meer rechten toekent dan waar zij in de prepensioenregeling aanspraak op konden maken. Het middel is volgens de CGB ook passend aangezien de ondernemingsraad de regeling heeft onderschreven. Ook komt de CGB niet tot een alternatief middel. Het doel kan dus ook noodzakelijk worden geacht. Op grond hiervan oordeelt de CGB dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd objectief gerechtvaardigd.
Volgens de CGB kan de compensatieregeling ook op toekomstige werknemers van toepassing worden verklaard, omdat het, gezien de aard van de werkzaamheden, een voldoende zwaarwegend doel is om de werknemers met 62 jaar te laten stoppen met werken. Omdat er geen onderscheid tussen de verschillende groepen wordt gemaakt, is de regeling objectief gerechtvaardigd en dus legitiem.
Concluderend kan gesteld worden dat deze uitspraak van de CGB erg casuïstisch is en slechts in weinig gevallen toepasbaar.
Meer weten? Neem contact op met Ingeborg Agema.
Op 11 oktober jl. heeft het Ministerie van Financiën een besluit uitgevaardigd inzake de pensioenopbouw bij premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid. In beginsel is het mogelijk om de premievrije voortzetting voor arbeidsongeschikten die voor invoering van de Wet VPL premievrijstelling hebben verkregen, op dezelfde wijze voort te zetten. In de volgende Brans Brief zullen wij u hierover nader informeren.
Meer weten? Neem contact op met Marlies Kastelein.
Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.
Contact |
Overzicht actuele berichten |
Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzichtBekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief. |
Vragen & Opmerkingen |
Ontvang de nieuwsbrief per e-mail |