Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

Brans Brief, november 2006
Nummer 11, jaargang 9

In dit nummer van Brans Brief:

Extra teruggaaf van buitenlandse dividendbelasting mogelijk voor Nederlandse pensioenfondsen

Het Europese Hof van Justitie in Luxemburg buigt zich over een zaak die verstrekkende gevolgen heeft voor het terugvragen van buitenlandse bronbelasting. Vooruitlopend op de uitkomst van deze zaak heeft Nederland al de eigen dividendbelasting aangepast in het wetsvoorstel Werken aan winst. Nederland gaat nu buitenlandse pensioenfondsen hetzelfde behandelen als binnenlandse pensioenfondsen, met als gevolg dat ook buitenlandse pensioenfondsen met ingang van 1 januari a.s. de Nederlandse dividendbelasting geheel kunnen terugvragen. Daarmee komt de ongelijke behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ten einde. Tot 1 januari blijft de nadelige behandeling van buitenlandse pensioenfondsen echter in stand. In de praktijk lopen al procedures om ook voor voorgaande jaren Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden ten laste van buitenlandse pensioenfondsen terug te krijgen.

Dezelfde problematiek speelt in de situatie dat een Nederlands pensioenfonds dividend ontvangt waarop een andere EU-lidstaat dividendbelasting heeft ingehouden. Hoewel pensioenfondsen doorgaans op grond van de letterlijke tekst geen verdragsbescherming genieten, weet Nederland in veel gevallen toch te bewerkstelligen dat andere landen hun dividendbelasting verlagen tot het verdragstarief, veelal 15%. Pensioenfondsen kunnen derhalve in veel gevallen buitenlandse dividendbelasting, voor zover meer is ingehouden dan het verdragstarief (stel 15%), terugvorderen.

Nieuw is dat in een aantal landen Nederlandse pensioenfondsen recht hebben op terugvorderen van de gehele ingehouden buitenlandse dividendbelasting (in bovenstaand voorbeeld: dus ook de resterende 15%). Het gaat om EU-lidstaten die binnenlandse pensioenfondsen wel volledig vrijstellen van binnenlandse dividendbelasting, maar buitenlandse pensioenfondsen niet.
Deze landen (bijv. Frankrijk) discrimineren dus buitenlandse pensioenfondsen, omdat die dividendbelasting moeten betalen die zij vervolgens in hun thuisland (als gevolg van hun fiscale vrijstelling) niet kunnen verrekenen. In een aantal landen worden dan ook ten behoeve van Nederlandse pensioenfondsen procedures gevoerd om buitenlandse dividendbelasting geheel terug te claimen.

Meer weten? Neem contact op met Arjan van de Griend.

Naar boven

Hof Amsterdam: Korting bij groot leeftijdsverschil toegestaan

Op 31 augustus 2006 heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat het nabestaandenpensioen mag worden gekort als de partner meer dan tien jaar jonger is dan de deelnemer. Het Hof acht het gerechtvaardigd om de solidariteit te beperken ten aanzien van de kosten die voortvloeien uit een groot leeftijdsverschil tussen partners. Hierbij wordt van belang geacht dat het nabestaandenpensioen bij een leeftijdsverschil van meer dan tien jaar nog steeds meer waard is dan het nabestaandenpensioen van een partner die geen of minder leeftijdsverschil met de deelnemer heeft. De begrenzing van de solidariteit is dus relatief, aldus het Hof.

Het Hof stelt dat er geen geschikte alternatieven zijn om de solidariteit te kunnen begrenzen. Bij een afbouwregeling of een beperkte wachttijd wordt de solidariteit immers minder beperkt en deze middelen zijn bovendien niet minder discriminerend dan de leeftijdskorting. Hieraan voegen wij toe, dat een wachttijd bij nabestaandenpensioen na inwerkingtreding van de Pensioenwet niet meer is toegestaan.

Deze uitspraak komt overeen met ons standpunt over de kortingsbepaling (zie hiervoor Brans Brief nummer 11, jaargang 8, november 2005 en de artikelen Korting groot leeftijdsverschil discriminerend? en Korting nabestaandenpensioen bij groot leeftijdsverschil (reactie op korting groot leeftijdsverschil indirect discriminerend?).
Hoewel het geen uitspraak van de hoogste rechter betreft, begint het er voorzichtig op te lijken dat de kortingsbepaling uiteindelijk toch in het pensioenreglement gehandhaafd kan blijven.

Meer weten? Neem contact op met Daniëlle van Veen.

Naar boven

Wet VPL toch van invloed op bestaande arbeidsongeschikten?

Tijdens de behandeling van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (hierna: Wet VPL) in de Eerste Kamer heeft de Staatssecretaris van Financiën vorig jaar de toezegging gedaan dat de pensioenen van de arbeidsongeschikten die op 31 december 2005 premievrijstelling hebben verkregen niet aangepast hoeven te worden aan de Wet VPL. Dit geldt ook voor de arbeidsongeschikten die zijn geboren op of na 1 januari 1950. De uitwerking heeft plaats gevonden in een beleidsbesluit overeenkomstig het besluit dat is uitgebracht bij de introductie van het Witteveenkader1. Dit besluit2 is op 11 oktober jongstleden gepubliceerd. In onze Brans Brief van oktober is reeds op het besluit gewezen.

Fiscaal besluit van 11 oktober 2006
Opmerkelijk is dat het fiscale besluit alleen uitgaat van de premievrijstelling bij verzekeraars en niet bij pensioenfondsen. Het besluit wijst pensioenregelingen die op 31 december 2004 reeds bestonden, waarbij de periode van premievrijstelling uiterlijk 31 december 2005 is ingegaan en die niet voldoen aan de Wet VPL, aan als fiscaal zuivere pensioenregelingen. Er geldt een aantal voorwaarden, waaronder:

De aanwijzing vervalt bij een wijziging van de pensioenregeling die gevolgen heeft voor de premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid.

Toelichting minister SZW
Bij de behandeling van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in de Eerste Kamer3 hebben leden van de CDA-fractie gevraagd of dit fiscale besluit tot gevolg heeft dat een wegens arbeidsongeschiktheid vrijgestelde regeling bij een pensioenfonds wél moet worden aangepast aan de Wet VPL. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geantwoord dat het besluit ziet op de situatie waarin het recht op voortgezette pensioenopbouw civielrechtelijk definitief is geworden op het moment dat de premievrijstelling is ingegaan. Deze situatie zou zich volgens de minister met name voordoen bij verzekeraars als de polisvoorwaarden van de premievrijstellingsverzekering niet meer zonder instemming van de betrokkenen kunnen worden gewijzigd op het moment dat de premievrijstelling is ingegaan. In dergelijke gevallen is er voor de werknemer in het verleden een risicopremie betaald en is de werknemer bij aanvang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer in dienst van de werkgever en geen deelnemer meer in de zin van de pensioenregeling. Het aanpassen van dergelijke pensioenregelingen stuit volgens de minister op aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk.

Bij pensioenfondsen blijft bij arbeidsongeschiktheid het deelnemerschap meestal in stand en wordt de voortgezette pensioenopbouw, net als bij actieve deelnemers, jaarlijks gefinancierd uit de premie. Het aanpassen van dergelijke pensioenregelingen zal volgens de minister niet op aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk stuiten, omdat de pensioenregeling voor deze arbeidsongeschikten op dezelfde wijze als voor de actieve deelnemers gewijzigd kan worden. Het niet aanpassen zou in deze redenering een ongelijke behandeling tussen actieve deelnemers en arbeidsongeschikte deelnemers veroorzaken.
Alleen als pensioenfondsen kunnen aantonen dat een wijziging van de pensioenregeling voor arbeidsongeschikten – behoudens ingeval van individuele instemming – voor hen onmogelijk is op grond van de pensioentoezegging die in het verleden aan de arbeidsongeschikte deelnemer is gedaan kan het beleidsbesluit op hen van toepassing worden verklaard.

Uit de inhoud van het fiscale besluit en de toelichting van de minister blijkt dus dat alleen de premievrije opbouw van pensioen van arbeidsongeschikten bij een verzekeraar niet hoeft te worden aangepast aan de Wet VPL. De premievrije opbouw van arbeidsongeschikten bij een pensioenfonds die zijn geboren op of na 1 januari 1950 dient dus in principe wel te voldoen aan deze wet. Dit is naar onze mening niet goed te rijmen met toezegging van de Staatssecretaris in de Eerste Kamer. In het verslag van deze vergadering is te lezen dat de Staatssecretaris heeft toegezegd dat “als er sprake is van arbeidsongeschiktheid en er een premievrije regeling is, de regeling niet aangepast hoeft te worden en dat bestaande WAO-ers de facto dus ruimere mogelijkheden krijgen”. Naar onze mening is uit de toezegging van de Staatssecretaris niet af te leiden dat het fiscale besluit niet op pensioenfondsen van toepassing zou zijn en zijn er – gezien het grote tijdsverloop tussen de toezegging en het fiscale besluit – bepaalde verwachtingen gewekt bij pensioenfondsen. Uiteraard zullen wij u van de verdere ontwikkelingen op de hoogte houden.


1 Besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M.
2 Besluit van 11 oktober 2006, nr. CPP2006/1977M.
3 Memorie van antwoord, 24 november 2006, Eerste Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 30655, C.

Meer weten? Neem contact op met Harmen Pullen.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven



Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail