Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

  English version

Brans Brief, januari 2007
Nummer 1, jaargang 10

In dit nummer van Brans Brief:

Uitsluiting parttimers tijdens wachtperiode pensioenregeling

Op 5 januari 2007 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de uitsluiting van parttimers in de wachtperiode in de pensioenregeling (maar met mogelijkheid tot vrijwillige deelname) niet in strijd is met artikel 119 EG-Verdrag (artikel 141 EG). Dit is een bestendiging van de opvatting van de Raad omtrent verjaring.

De feiten
Ingevolge het pensioenreglement van stichting pensioenfonds X waren hulpkrachten en parttimers (met een arbeidsduur van minder dan 12 uur per week) tot 1 januari 1978 van deelname aan de pensioenregeling uitgesloten. In 1978 is het pensioenreglement gewijzigd. Parttimers namen pas na een wachttijd van vijf jaar verplicht deel aan de pensioenregeling. Gedurende de wachttijd hadden parttimers de keuzemogelijkheid om vrijwillig deel te nemen. Op 1 december 1986 is het pensioenreglement opnieuw gewijzigd en is de wachttijd teruggebracht naar 1 jaar. Met ingang van 1992 is de wachttijd volledig komen te vervallen. Alle werknemers namen vanaf dat moment deel aan de pensioenregeling.

Het oordeel
In cassatie gaat het om de vraag of de pensioenregeling zoals deze van 1 januari 1978 tot 1 januari 1992 voor parttimers heeft gegolden, ongelijke behandeling van parttimers oplevert. Het Hof oordeelde dat de pensioenregeling ertoe heeft geleid dat relatief weinig parttimers gedurende de wachttijd vrijwillig aan de pensioenregeling hebben deelgenomen. De regeling was daardoor voor parttimers nadeliger dan voor fulltimers. Dat voerde het Hof tot de conclusie dat sprake is geweest van ongelijke behandeling.

De Hoge Raad gaat in op de vraag of de in de pensioenregeling opgenomen keuzemogelijkheid door artikel 119 EG-Verdrag verboden discriminatie van parttimers met betrekking tot de aansluiting bij de pensioenregeling oplevert.

De Hoge Raad oordeelt, dat de door het Hof genoemde risico’s (o.a. onbekendheid, onnadenkendheid) niet van dien aard waren dat ze voor parttimers een reële belemmering vormden om zich in de wachtperiode facultatief aan te sluiten bij de pensioenregeling, althans niet zodanig dat parttimers de facto van deelname aan de pensioenregeling werden uitgesloten.

De Hoge Raad heeft voorts ten aanzien van de verjaring haar eerdere opvatting herhaald, dat de verjaringstermijn in de zin van artikel 3:301 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek pas gaat lopen de dag na die waarop de verweerder ‘in staat is’ een rechtsvordering tot vergoeding van de schade tegen pensioenfonds X in te stellen. Hiertoe moet de benadeelde bekend zijn met zowel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, als ook met de juridische beoordeling hiervan. Kortom, de verjaringstermijn van vijf jaar gaat in deze situatie pas lopen vanaf het moment dat de benadeelde weet: ik word benadeeld, er is een aanspreekbare partij en er is een juridische grond om de schade te vorderen.

Meer weten? Neem contact op met Marijke Biewinga.

Naar boven

Gevolgen van de Wet op het financieel toezicht (Wft) voor pensioenuitvoerder

Op 1 januari 2007 is de Wft in werking getreden. Vrijwel alle regels en voorschriften voor de financiële markten en het toezicht daarop zijn hierin opgenomen. De regels waaraan financiële dienstverleners moeten voldoen worden vereenvoudigd en de administratieve lasten worden verminderd. De Wft sluit pensioenfondsen (onder voorwaarden) uit van de werking van de Wft, met uitzondering van deel 5 van de Wft. Hoofdstuk 5.6 Wft is een wettelijke verankering van de best-practice-bepalingen van de Code Tabaksblat, gericht tot de institutionele belegger. Ook bevat dit hoofdstuk een wettelijke verankering van de ‘leg uit of pas toe’ – regel.

Deel 5 van de Wft heeft gevolgen voor pensioenuitvoerders, omdat onder een institutionele belegger wordt verstaan een beleggingsinstelling, een levensverzekeraar of een pensioenfonds.

Pensioenuitvoerders moeten de betreffende bepalingen van de Code Tabaksblat dus toepassen, óf motiveren waarom de Code niet wordt nageleefd. De betreffende best-practice-bepalingen van de Code hebben betrekking op het verslag doen door institutionele beleggers van het stembeleid, de uitvoering van dit stembeleid en het daadwerkelijke stemgedrag tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders.

Daarnaast is van belang op te merken dat het besluit marktmisbruik Wft van toepassing is op pensioenuitvoerders. Waren de meeste pensioenuitvoerders onder de Wet toezicht effectenverkeer nog vrijgesteld van het toezicht, deze vrijstelling geldt niet meer onder de Wft. Alle pensioenuitvoerders moeten regelingen opstellen omtrent het voorkomen van belangenverstrengeling (gedragscode voor privé-transacties), voorwetenschap en intern toezicht op de naleving van de regels.

Op grond van de Pensioenwet is afdeling 4.2.3 van de Wft van toepassing op premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. Vanwege een vergaande zorgplicht van de pensioenuitvoerder ten opzichte van de deelnemer moeten pensioenuitvoerders die een premieovereenkomst met beleggingsvrijheid uitvoeren, een aantal informatieverplichtingen in acht nemen. Wanneer een deelnemer aangeeft zelf te willen beleggen moet dat kunnen, maar de pensioenuitvoerder moet de deelnemer dan wel van advies en informatie voorzien. Zo moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst relevante informatie over het produkt aan de deelnemer worden verstrekt en moet de pensioenuitvoerder informatie inwinnen over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de deelnemer voordat hij deze adviseert. Bij de advisering dient de pensioenuitvoerder rekening te houden met de informatie die over de deelnemer is ingewonnen.

Meer weten? Neem contact op met Rick Crauwels.

Naar boven

Verlenging van de FVP-bijdrageregeling tot 1 januari 2009

In de Brans Brief van november 2005 hebben wij u medegedeeld dat er na 1 januari 2008 geen nieuwe deelnemers zullen worden opgenomen in de FVP-bijdrageregeling van de Stichting Financiering Voorzetting Pensioenverzekering (hierna: de Stichting). Hierdoor ontvangen werknemers van 40 jaar en ouder die met ingang van 2008 WW-gerechtigd worden, geen bijdrage meer uit de FVP-bijdrageregeling. Het voorgaande heeft voor deze werknemers tot gevolg dat de pensioenopbouw in de pensioenregeling van de ex-werkgever niet op kosten van de Stichting zal worden gecontinueerd.

In tegenstelling tot eerdere berichtgeving heeft de Stichting onlangs besloten om de FVP-bijdrageregeling met één jaar te verlengen tot 1 januari 2009. De reden van deze verlenging is gelegen in het feit dat de beleggingsinkomsten over het jaar 2006 hoger zijn uitgevallen dan de prognoses en dat de werkloosheid ten gevolge van de verbeterde economische omstandigheden is gedaald. Hierdoor beschikt de Stichting enerzijds over meer inkomsten en wordt er anderzijds minder aanspraak gemaakt op de FVP-bijdrageregeling.

In aanvulling op het voorgaande heeft de Stichting gemeld dat voor al diegenen die nu en eventueel in de toekomst gebruik kunnen gaan maken van de FVP-bijdrageregeling blijft gelden dat de FVP-bijdrage een voorwaardelijk karakter heeft.

Meer weten? Neem contact op met Mirella Verhaaf.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven



Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail