Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

  English version

Brans Brief, februari 2007
Nummer 2, jaargang 10

In dit nummer van Brans Brief:

Aanpassing WIA per 1 januari laat aantal WGA hiaten verdwijnen

Tot 1 januari 2007 kon het op grond van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) voorkomen dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten die meer verdienden dan het maximum dagloon (2007: € 45.017) er ten opzichte van de WAO op achteruit gingen. Deze negatieve uitkomsten ten opzichte van de WAO worden ook wel WGA-hiaten genoemd. Per 1 januari 2007 is de WIA op een belangrijk onderdeel gewijzigd, waardoor bijna alle WGA-hiaten zijn komen te vervallen. Dit geldt zowel voor het WGA-hiaat, dat gedurende de loongerelateerde fase kon ontstaan, als ook voor het WGA-hiaat, dat zich kon voordoen in de loonaanvullingsfase. In beide gevallen ontstond het hiaat bij een inkomen boven het maximum dagloon. Deze WGA-hiaten zijn nu – feitelijk met terugwerkende kracht – gerepareerd doordat in de formule voor de vaststelling van de loongerelateerde- en loonaanvullingsuitkering rekening wordt gehouden met het loon boven het maximum dagloon. In de formule voor de vaststelling van de betreffende uitkering is namelijk een breuk opgenomen waarin het maximum dagloon gedeeld wordt door het ongemaximeerde dagloon. Het introduceren van deze breuk heeft als gevolg dat de genoemde WGA-hiaten zijn verdwenen. Slechts wanneer sprake is van een WGA-vervolguitkering (benutting van minder dan 50% van de restcapaciteit), dan wel van een arbeidsongeschiktheids-percentage gelegen beneden de 35% (maar boven dan 15%) bestaat er nog een verschil tussen de uitkering die ingevolge de WAO zou zijn verkregen en die de betrokkene nu ontvangt ingevolge de WIA. Alleen in deze gevallen kan nog sprake zijn van een WGA-hiaat.

Meer weten? Neem contact op met Sandra Bertram.

Naar boven

Gewijzigde werkwijze DNB voor toetsing fondsdocumenten

De invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 vormt voor De Nederlandsche Bank (DNB) aanleiding om het materiële toezicht op een andere wijze in te richten. In een brief heeft DNB kenbaar gemaakt dat het proces rond de toetsing van statuten en reglementen van pensioenfondsen aan de vigerende wetgeving verandert. Onder vigerende wetgeving wordt ook de gelijke behandelingswetgeving verstaan. De statuten en reglementen worden periodiek en steekproefsgewijs, op basis van een risico-georiënteerde en planmatige aanpak, integraal getoetst. Het doel van de gewijzigde werkwijze is om het materiële toezicht doelmatiger, effectiever en efficiënter gestalte te geven.

De statuten en reglementen van de grootste pensioenfondsen worden jaarlijks getoetst, die van de overige pensioenfondsen eenmaal in de twee of drie jaar. Dit laat onverlet dat tussentijdse wijzigingen in de documenten op grond van de Pensioenwet binnen twee weken aan DNB gemeld dienen te worden. Deze termijn was op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet nog 3 maanden.

DNB zal op basis van een set van risico-indicatoren beoordelen wat de urgentie is om de statuten en reglementen te behandelen. Urgente gevallen worden met voorrang getoetst (steeksproefgewijze toetsing). De nieuwe werkwijze van DNB gaat in per 1 januari 2007 en geldt voor statuten en reglementen die vanaf die datum bij DNB worden ingediend.

Meer weten? Neem contact op met Harmen Pullen.

Naar boven

De Wereldwijde Alternatives Ranglijst

De afgelopen jaren is er bij pensioenfondsen op beleggingsgebied veel aandacht geweest voor matching van verplichtingen. Momenteel is het zwaartepunt van de aandacht weer richting de zoektocht naar rendement verschoven. Hierbij wordt veelvuldig naar alternatieve beleggingscategorieën gekeken. Uit ons jaarlijkse onderzoek is gebleken dat in 2005 zo'n 200 miljard dollar richting deze alternatieve categorieën is gestroomd.

Alternatieve beleggingen, beheerd door de leidende vermogensbeheerders, zijn in 2005 met zo'n 20% tot 1,26 triljoen dollar gegroeid, zo blijkt uit onderzoek van Watson Wyatt. Uit de Wereldwijde Alternatives Ranglijst, opgesteld tezamen met het Global Alternatives Magazine, blijkt dat funds of hedge funds (FOHFs) wederom de meest populaire alternatieve beleggingscategorie vormen voor investeerders, gevolgd door onroerend goed en private equity funds of funds. Commodities bezetten op afstand de vierde plaats. In totaal stroomde er in 2005 zo'n 200 miljard dollar aan nieuw kapitaal richting alternatieve categorieën. Pensioenfondsen blijven de grootste bron van nieuw geld maar verschillen in hun keuzes van andere soorten investeerders. Onroerend goed blijft hun favoriete alternatieve categorie, hoewel FOHFs snel in populariteit toenemen.

Pensioenfondsen beleggen ook steeds meer in commodities, hoewel deze belangen relatief bezien nog zeer beperkt zijn.

Figuur 1. Top 15 alternatives beheerders 2006

Nr

Naam
moederbedrijf

Land

Beleggings-
categorie

Wereldwijd vermogen
$ mrd

1

RREEF

US

Onroerend goed

62,2

2

ING Real Estate

NL

Onroerend goed

55,6

3

Hamilton Lane Advisors

US

Private equity

48,8

4

Man Investments

UK

FOHF

45,8

5

Morley Fund Management

UK

Onroerend goed

38,3

6

AXA Real Estate

EUR

Onroerend goed

36,6

7

UBS AG/UBS Global Asset Management

US

Onroerend goed

30,6

8

LaSalle Investment Management

US

Onroerend goed

30,5

9

JPMorgan Investment Management

US

Onroerend goed

29,7

10

Prudential M&G

UK

Onroerend goed

29,5

11

Union Bancaire Privee Asset Management

US

FOHF

25,0

12

Alternative Investment Solutions

US

FOHF

24,9

13

Pacific Corporate Group

US

Private equity

23,0

14

Credit Suisse

US

Onroerend goed

22,5

15

Permal Group

US

FOHF

21,3

Het onderzoek toont verder dat RREEF (voorheen Deutsche Bank Real Estate) eind 2005 de grootste vermogensbeheerder van alternatives was met ruim 62 miljard dollar onder beheer. ING Real Estate is tweede met ruim 55 miljard dollar. Binnen de commodities sector is Allianz de grootste met bijna 14 miljard dollar.

Meer weten? Neem contact op met Michel Iglesias del Sol.

Naar boven

Nieuwe sterftetafels van het Actuarieel Genootschap

Sinds 1 januari 2007 is de Pensioenwet en daarmee het Financieel Toetsingskader (FTK) van kracht. Onder het FTK moet een pensioenfonds de hoogte van de technische voorzieningen vaststellen op basis van “de verwachte uitgaande kasstromen.” De omvang van deze kasstromen moet worden bepaald, rekening houdend met de “voorzienbare trend in overlevingskansen”. Op 7 februari 2007 heeft het Actuarieel Genootschap (AG) nieuwe sterftetafels uitgegeven. Deze hebben betrekking op de waarnemingsperiode 2000 – 2005. De ‘standaard’ sterftetafels GBM/V 2000 – 2005 geven de in die periode werkelijk waargenomen sterfte weer. Omdat in deze tafels dus geen voorzienbare trend is verwerkt, zijn deze niet zonder meer te gebruiken om de voorziening pensioenverplichtingen (VPV) onder het FTK te bepalen.

Het AG heeft echter ook de Prognosetafel 2005-2050 uitgegeven, een zogeheten generatietafel. De Prognosetafel 2005 – 2050 is in feite een verzameling sterftetafels, van GBM/V 2000 – 2005 tot en met GBM/V 2050 – 2055. Tussen opeenvolgende sterftetafels is een dalende trend in de sterftekansen zichtbaar. De sterftekans van iemand die nu 40 jaar is, is hoger dan de sterftekans van iemand die over tien jaar 40 is. Een VPV gebaseerd op de Prognosetafel 2005 – 2050 bevat de volgens het FTK vereiste “voorzienbare trend in overlevingskansen”.

Kunnen pensioenfondsen nu dus massaal overstappen op de Prognosetafel 2005 – 2050? Zoals het AG aangeeft in het begeleidende boek bij de sterftetafels: de sterftekansen zijn gebaseerd op de gehele Nederlandse bevolking. Werklozen, chronisch zieken en gedetineerden zijn geen deelnemers in pensioenfondsen, maar zij zitten wél in de algemene sterftecijfers van het AG. Dit zijn voornamelijk groepen mensen die korter leven dan gemiddeld. Deelnemers in pensioenfondsen leven dan ook over het algemeen langer dan de gemiddelde bevolking. Een pensioenfonds moet ook met dit effect rekening houden. Dit is de zogeheten ervaringssterfte.

Watson Wyatt houdt al sinds 1997 in de toereikend-heidstoets rekening met zowel een sterftetrend als ervaringssterfte middels de Branstafel. Voor onze klanten zal het effect van een overgang op de Prognosetafel 2005 – 2050 met ervaringssterfte dan ook gering zijn. Doordat de sterftekansen de afgelopen jaren iets sterker zijn gedaald dan in 1997 – het jaar waarin de Branstafel het levenslicht zag – werd verwacht, zal de VPV ongeveer 0,5% tot 1,0% hoger liggen.

Meer weten? Neem contact op met Richard Meijer.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven



Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail