![]() | 0 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
In dit nummer van de Watson Wyatt Update:
In juni 2007 heeft DNB de richtlijnen voor de toepassing van het FTK voor volledig herverzekerde pensioenfondsen gepubliceerd. Als een fonds voldoet aan de definitie van een volledig herverzekerd fonds, is het enige risico dat het loopt het kredietrisico op de herverzekeraar. De kredietwaardigheid van de herverzekeraar kan zodanig zijn dat het fonds extra middelen moet aanhouden om alle verplichtingen door waarden gedekt te houden.
Daarnaast kan er op grond van de credit spread van de herverzekeraar reden zijn tot het aanhouden van een Vereist Eigen Vermogen, namelijk wanneer die credit spread ten opzichte van de door DNB gehanteerde swapcurve positief is. Tenslotte is er een eis gesteld aan het Minimum Vereist Eigen Vermogen. Dat moet, afhankelijk van de afspraken over de beheerskosten, gelijk zijn aan 1% van de voorziening, dan wel 25% van de jaarlijkse beheerskosten. DNB kan dispensatie verlenen voor het MVEV. Deze dispensatie geldt automatisch tot 1 januari 2010 of zelfs tot 1 januari 2012. Onder bepaalde voorwaarden mag gebruik worden gemaakt van een benaderingsmethode gebaseerd op de kredietwaaardigheid van de herverzekeraar. Bij een rating van AA– of beter geldt een credit spread van nul en kan DNB toestaan dat geen extra middelen worden aangehouden.
Meer weten? Neem contact op met Wichert Hoekert.
Het indexatielabel is uitgesteld tot 1 juli 2008. Zo blijkt uit een brief van minister Donner van SZW van 16 juli 2007. Daarin wordt verder gesteld dat alle pensioenuitvoerders voor 1 april 2008 voor iedere pensioenregeling de verwachte gemiddelde toeslagverlening en de toeslagverlening in een slecht scenario moeten bepalen. Hoewel dat er niet expliciet zo staat, zou daaruit kunnen worden geconcludeerd dat ook de aanleverdatum van de continuïteitsanalyse is uitgesteld. Dat geldt uiteraard niet voor fondsen die door DNB verzocht zijn een continuïteitsanalyse uit te voeren vanwege een reserve- of dekkingstekort of het verlenen van premiekorting.
Meer weten? Neem contact op met Wichert Hoekert.
Als de nuances van een recente uitspraak van de International Accounting Standards Board niet goed begrepen worden, dan zou het gevolg wel eens kunnen zijn dat werkgevers zich gedwongen voelen om hun pensioenfondsen zo slank mogelijk te houden. Dat komt doordat de mogelijkheid om een overschot op de ondernemingsbalans te presenteren rigoureus wordt beperkt, althans zo lijkt het op het eerste gezicht. Hieronder wordt uiteengezet waarom dit niet het geval is indien het fonds zodanig is opgezet dat het fondsvermogen fungeert als onderpand dat vroeg of laat geheel voor rekening van de werkgever komt. Als uit de statuten en de uitvoeringsovereenkomst kan worden afgeleid dat aan deze voorwaarde voldaan wordt, dan kan een pensioenoverschot ongelimiteerd op de balans staan. Watson Wyatt adviseert ondernemingen nadrukkelijk om dit onderwerp in voorkomende gevallen voor te leggen aan de certificerende accountant.
IFRIC Interpretation 14 ‘IAS 19 – The Limit on a Defined Benefit Asset, Minimum Funding Requirements and their Interaction’ (juli 2007, van kracht vanaf 2008, eerdere toepassing wordt aanbevolen) maakt duidelijk hoe ondernemingen die in Nederland pensioenverplichtingen hebben, rekening moeten houden met de Pensioenwet bij het opstellen van hun jaarverslagen onder International Financial Reporting Standards. De wet stelt minimumeisen aan de dekkingsgraden en aan de premies die de fondsen jaarlijks moeten innen; premiekortingen en terugstortingen zijn alleen onder bepaalde voorwaarden toegestaan (meer daarover hieronder). Een overschot is dus niet zonder meer opeisbaar en bovendien is het nog maar de vraag of een overschot een verlagend effect heeft op de toekomstige premielasten. Mag een onderneming in de jaarrekening dan toch de indruk wekken dat ze alle vruchten van zo’n overschot kan plukken? Nee, zeggen de accountants — op de balans mag (afgezien van amortisaties) niet meer worden getoond dan de waarde van toekomstige premiekortingen en terugstortingen. Als de wet en de financieringsafspraken impliceren dat die nooit mogelijk zijn, dan heeft het overschot voor de onderneming zelfs geen enkele waarde. In dat geval is het pensioenfonds geen profit center, maar een black hole.
Het heeft er dus alle schijn van dat een degelijk systeem van pensioenfinanciering — zodanig dat de buffers van het fonds op peil worden gehouden en de jaarlijkse premie voldoende is voor een waardevast pensioen — voor de onderneming verliesgevend zal zijn. Om te beginnen moet elk jaar de contante waarde van de pensioenopbouw als last worden genomen. Dat is logisch, want dat bedrag weerspiegelt precies de bedrijfseconomische kosten van pensioen als uitgesteld loon. Het probleem is dat de premie, voor zover hoger dan deze jaarlast, als een verlies moet worden afgeboekt, tenminste indien die premie bijdraagt aan een overschot dat nooit kan terugvloeien naar de onderneming. Want als dat het geval is, dan is extra pensioengeld geen investering meer, maar dood kapitaal en staat buffervorming gelijk aan kapitaalvernietiging. Dan ligt het voor de hand om de premie zo laag mogelijk te houden opdat in het fonds geen overschot ontstaat. Bovendien zullen de fondsen dan onder druk komen te staan om minder terughoudend te zijn met premiekortingen en terugstortingen. Zo zouden de verliezen voor de onderneming binnen de perken kunnen blijven. De keerzijde is dat de dekking van de pensioenen en in het bijzonder de toekomstige indexatie dan in gevaar zou komen.
Wat is de kern van het probleem? Bij veel pensioenregelingen zijn de economische eigendomsverhoudingen met betrekking tot overschotten niet eenduidig vastgelegd, zodat een surplus zich in een soort niemandsland bevindt. Dat mag dan niet op de ondernemingsbalans verschijnen; vanuit de onderneming bekeken is het hooguit een vorm van verborgen aandeelhouderswaarde. Inefficiënte financieringsafspraken tussen werkgever en pensioenfonds kunnen zo bezien dus leiden tot onderwaardering van de onderneming. Vaak gaat het om enorme bedragen, zodat de onderneming wel eens een aantrekkelijke prooi zou kunnen worden voor corporate raiders. Deze kwestie is nu actueel, want door de stijging van de marktrente en het herstel van de aandelenbeurzen gaat het weer goed met de pensioenfondsen en zijn de pensioenen in bijna alle fondsen ruimschoots gedekt.
Stel nu dat in de statuten van het pensioenfonds en in de uitvoeringsovereenkomst tussen fonds en onderneming is geregeld dat het fondsvermogen fungeert als onderpand voor rekening van de onderneming. Stel verder dat de indexatieverplichtingen voorzienbaar zijn in die zin dat het indexatiebeleid helder is geformuleerd en een bepaald systeem volgt, althans in grote lijnen. Het fonds kan dan niet sinterklaas gaan spelen en de pensioenen naar willekeur verhogen. Als aan die voorwaarden is voldaan, dan kan uit IAS 19 en IFRIC Interpretation 14 worden afgeleid dat een overschot ongelimiteerd (maar wel rekening houdend met toekomstige belastingen) op de balans mag worden gezet. Het blijft dan beklemd vermogen waarmee de pensioenen worden gewaarborgd en het fonds is nog steeds de juridische eigenaar. Maar in economische zin is de onderneming de eigenaar, en zo hoort het zolang het om onderpand gaat.
Opmerkelijk genoeg is het niet nodig om het fondsvermogen op een laag peil te houden, want bij een efficiënte pensioenregeling gefinancierd met een efficiënte onderpandconstructie gaat geen waarde verloren. Het kan dan ook geen kwaad om af te spreken dat directe of indirecte restituties pas boven een bepaalde veilige grens aan de orde kunnen komen, uiteraard met inachtneming van alle wettelijke minimumeisen, en vooral ook met het oog op de gewenste prudentie voor de lange termijn.
Door af te spreken dat het fondsvermogen beschouwd moet worden als middelen die de onderneming bij het pensioenfonds in onderpand heeft gesteld ter waarborging van de pensioenen, inclusief de indexatie, kan dus worden voorkomen dat degelijke financiering leidt tot grootschalige kapitaalvernietiging. Als de eigendomsverhoudingen aldus worden vastgelegd, zowel in de statuten van het fonds als in de uitvoeringsovereenkomst, dan leidt IFRIC Interpretation 14 eerder tot een versteviging dan tot een verzwakking van het financiële fundament onder de pensioenregelingen.
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
Artikel 129 van de Pensioenwet bepaalt dat premiekortingen ten opzichte van de wettelijke ondergrens voor de pensioenpremie alleen kunnen worden toegestaan indien de vereiste technische voorzieningen zijn gedekt, het vereiste eigen vermogen aanwezig is, en het beoogde voorwaardelijke toeslagbeleid kan worden waargemaakt. In de Memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel werd uitgelegd dat dit betekent dat de pensioenaanspraken, de pensioenrechten en de voorwaardelijke toeslagverlening gewaarborgd dienen te zijn. Voor terugstortingen geldt bovendien de wettelijke eis dat de achterstanden die in de voorgaande tien jaar zijn opgelopen met betrekking tot de voorwaardelijke toeslagen moeten zijn ingehaald en dat alle rechtenkortingen die bij wijze van noodmaatregel in die periode zijn toegepast, eerst ongedaan moeten worden gemaakt. Voorts kan uit nadere regelgeving (zoals de Beleidsregel toeslagenmatrix) worden afgeleid dat premiekortingen en terugstortingen dienen te worden gerechtvaardigd met een actuele continuïteitsanalyse.
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
In de Update van maart is er al op gewezen dat het voor een pensioenfonds raadzaam is om een ‘graanschuurbuffer’ te vormen in goede tijden, wanneer het meezit op de financiële markten, zodat die extra buffer kan worden gebruikt wanneer het tegenzit. Pensioenfondsen die met het oog op de lange termijn een graanschuurbeleid volgen, moeten accepteren dat meevallers die resulteren uit de stijging van aandelenkoersen en rentestanden voorlopig nodig zijn voor extra buffervorming.
Door de stijging van de marktrente en aandelenkoersen bedraagt de gewenste graanschuurbuffer 20% per 30 juni 2007. Dit betreft het voorbeeldfonds met een gemiddelde verplichtingenstructuur en een beleggingsmix van 50% aandelen en 50% obligaties met een duratie van 5 jaar.
De gewenste graanschuurbuffer wordt zodanig berekend dat deze binnen bepaalde grenzen meebeweegt met de algemene ontwikkelingen in de financiële markten zoals die tot uiting komen in dekkingsgraden.
Gewenste graanschuurbuffer 1990 – medio 2007 (in % van voorziening) voor een voorbeeldfonds volgens systeem Branstoets
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
Als u naar aanleiding van dit nummer van Watson Wyatt Update opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.
Contact |
Overzicht actuele berichten |
Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzichtBekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief. |
Vragen & Opmerkingen |
Ontvang de nieuwsbrief per e-mail |