![]() | 0 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
In dit nummer van de Watson Wyatt Update:
Watson Wyatt heeft in de eerste helft van 2007 de financiële positie van circa 200 Nederlandse pensioenfondsen getoetst (25% tot 30% van de Nederlandse pensioenmarkt). De gemiddelde FTK-dekkingsgraad eind 2006 is 133%, tegenover een gemiddelde door DNB vereiste dekkingsgraad van 120%. Eind 2006 zien we dat al onze klanten uit onderdekking zijn, en heeft 18% van deze pensioenfondsen nog een reservetekort ten opzichte van de door DNB vereiste dekkingsgraad. De gemiddelde indexatieruimte bedraagt 65%.
De indexatieruimte geeft aan welk gedeelte van de prijsindexatie een pensioenfonds risicovrij zou kunnen afdekken. Dit betekent dat een pensioenfonds met een vermogen gelijk aan de reële (geïndexeerde) verplichtingen een indexatieruimte van 100% heeft en dat een pensioenfonds met een vermogen gelijk aan de nominale verplichtingen een indexatieruimte heeft van 0%. De gemiddelde indexatieruimte van de klanten van Watson Wyatt is ultimo 2006 uitgekomen op 65%. Dit betekent dat het aanwezige vermogen bij pensioenfondsen voldoende is om 65% van de prijsinflatie risicovrij af te kunnen dekken. Een indexatieruimte van 65% betekent overigens niet dat ook 65% van de indexatie wordt toegekend. Het is een momentopname waarbij gekeken wordt naar de financiële positie in relatie tot de marktrente. Er wordt geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, bijvoorbeeld premie- en beleggingsbeleid. Deze zaken worden wel meegenomen in de sinds de invoering van het FTK verplicht gestelde continuïteitsanalyse.
In vergelijking met de financiële positie eind 2005 zijn de uitkomsten flink verbeterd:
Dit heeft een aantal oorzaken. De marktrente is in 2006 flink gestegen, waardoor de voorziening pensioenverplichtingen voor veel fondsen flink afnam. Daarnaast was 2006 een goed beleggingsjaar voor aandelen. Ten slotte waren veel pensioenfondsen in 2006 nog in de situatie van een herstelplan, waardoor relatief meer premie is ontvangen en/of minder indexatie is toegekend.
De indexatieruimtes van alle pensioenfondsen zijn eind 2006 als volgt verdeeld:
Meer weten? Neem contact op met Josje Wijckmans.
‘Het plaatsen van lange termijn financiële doelstellingen van de beleggingen in een duurzaam en maatschappelijk verantwoord kader.’ Een dergelijk uitgangspunt hebben veel pensioenfondsen geformuleerd in hun ‘Verklaring Inzake Beleggingsbeleid’. Deze fondsen werken eraan hun beleggingsportefeuille in te richten vanuit een ethisch verantwoorde invalshoek. Watson Wyatt Investment Consulting heeft drie afwegingen in kaart gebracht die relevant zijn bij het vormen van een SRI-strategie:
Op woensdag 12 september organiseert Watson Wyatt een seminar over dit onderwerp. U kunt zich hiervoor aanmelden door te bellen naar Karin Kramer, 020-543 3000, of te mailen naar marketing@watsonwyatt.nl.
Meer weten? Neem contact op met Jeroen Verheijden.
Vanaf 2007 moet de voorziening pensioenverplichtingen op marktwaarde worden vastgesteld. Dit betekent onder andere dat rekening moet worden gehouden met marktrente. Daarnaast dienen nu al de verwachte verbeteringen in de overlevingskansen in de voorziening te worden opgenomen.
De zelfde uitgangspunten worden ook toegepast op flexibiliseringsfactoren, zoals vervroegings-, uitstel-, en uitruilfactoren. De invloed van de voorzienbare stijging van de overlevingskansen op de hoogte van de flexibiliseringsfactoren moet niet onderschat worden. Hierbij spelen twee aspecten een rol. Ten eerste vindt bij de overgang op een overlevingstafel waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte verbetering in de overlevingskansen een eenmalige stijging plaats. Ten tweede stijgen de overlevingskansen per leeftijd van jaar tot jaar. De verwachte levensduur van een 65-jarige in 2008 is bijvoorbeeld iets hoger dan de verwachte levensduur van een 65-jarige in 2007. Dit betekent dat de voorziening voor ouderdomspensioen ieder jaar iets hoger wordt, en die voor nabestaandenpensioen ieder jaar iets lager.
Bij een gemiddeld fonds dat reserveert op basis van de GBMV tafels (met leeftijdscorrecties), ontvangt een deelnemer die € 100 nabestaandenpensioen uitruilt daar een ouderdomspensioen van € 22 voor terug. Op basis van de nieuwe tafels (Prognosetafel van het AG en Brans-ervaringssterfte) ontvangt die deelnemer in 2007 iets meer dan € 21 ouderdomspensioen voor € 100 nabestaandenpensioen, en in 2017 nog maar iets meer dan € 19. Voor vervroegingsfactoren is dit effect veel minder sterk. Een deelnemer die voorheen € 100 ouderdomspensioen vanaf 65 jaar vervroegde naar een pensioen vanaf 62 jaar, ontving jaarlijks € 79. Op basis van de nieuwe tafels ontvangt de deelnemer in 2007 bijna € 80 ouderdomspensioen en in 2017 iets meer dan € 80.
De nieuwe overlevingskansen zullen dus niet alleen eenmalig, maar daarna ook jaarlijks een bijstelling in de uitruilfactoren met zich meebrengen. Dit effect komt met name naar voren in de uitruil van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen (en andersom).
Meer weten? Neem contact op met Josje Wijckmans.
In artikel 126 van de Pensioenwet wordt voorgeschreven dat alle pensioenfondsen de technische voorzieningen moeten vaststellen op basis van marktwaardering. Ook pensioenfondsen die al hun verplichtingen hebben herverzekerd met een garantiecontract moeten dus aan dit artikel voldoen.
In het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen wordt een nadere invulling gegeven aan het principe van marktwaardering. Hierin wordt voorgeschreven de rentetermijnstructuur van DNB te gebruiken en rekening te houden met de voorzienbare trend in overlevingskansen. De rente en overlevingsgrondslagen uit het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen zullen in de meeste gevallen afwijken van de grondslagen in de overeenkomst met de verzekeraar. De hoogte van de technische voorzieningen in de jaarrekening zal voor deze fondsen dus anders zijn dan die volgens de verzekeraar.
Meer weten? Neem contact op met Ronald van Dam.
Dit voorjaar stond de Nederlandse pensioenwereld bol van het nieuws over het OFP, het nieuwe Belgische pensioenvehikel waarmee gebruik werd gemaakt van de mogelijkheden die de Europese pensioenfondsenrichtlijn bood. Het OFP zou een bedreiging vormen voor de Nederlandse pensioenfondsenwereld en er zou een massale uittocht richting België kunnen gaan ontstaan.
Waar de eerste Nederlandse reactie op die pensioenfondsenrichtlijn bijna neerkwam op de oproep om een muur te bouwen om het solide Nederlandse pensioenstelsel, sloeg de schrik nu toe bij de Nederlandse politiek. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werkte op dat moment echter al aan de Nederlandse variant, de API (Algemene Pensioen Instelling). Deze API is rechtstreeks gebaseerd op de pensioenfondsenrichtlijn en is daarmee alleen gebonden aan de voorschriften die daaruit voortvloeien, en niet aan de eigen nationale regels die vaak veel verder gaan. De minister heeft inmiddels in een brief aan de Tweede Kamer een vergelijking tussen België en Nederland gegeven en de positie van Nederland als vestigingsland voor pensioeninstellingen geschetst.
Nu het stof rond de OFP’s is neergedaald, willen wij graag met u bekijken wat de realiteit is. Op 26 september organiseren wij een seminar waarin wordt ingegaan op de mogelijkheden die de pensioenfondsenrichtlijn biedt, op de voor- en nadelen van het OFP en op de verwachtingen met betrekking tot de API. Voor informatie over dit seminar kunt u contact opnemen met Saskia van Daalen; 020-543 3000 of marketing@watsonwyatt.nl.
Meer weten? Neem contact op met Rick Crauwels.
Als u naar aanleiding van dit nummer van Watson Wyatt Update opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.
Contact |
Overzicht actuele berichten |
Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzichtBekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief. |
Vragen & Opmerkingen |
Ontvang de nieuwsbrief per e-mail |