![]() | 0 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
In dit nummer van de Watson Wyatt Update:
Op 17 september 2007 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een consultatiedocument gepubliceerd. In dit consultatiedocument wordt nader ingegaan op de in de Pensioenwet opgenomen zorgplicht bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. AFM richt zich in dit document onder andere op de toepassing van life cycles. Life cycles zijn beleggingsmixen waarvan de samenstelling afhangt van de leeftijd van de deelnemer. Biedt de pensioenuitvoerder slechts één life cycle aan dan heeft de deelnemer geen beleggingskeuze en is de zorgplicht zoals bedoeld in de Pensioenwet niet van toepassing. Indien er meerdere life cycles zijn waaruit kan worden gekozen, is dit wel het geval.
Als een deelnemer zelf de verantwoordelijkheid voor de beleggingen wenst over te nemen, zal door de pensioenuitvoerder een profiel moeten worden opgesteld waarbij onder andere wordt gekeken naar de financiële positie, financiële doelstelling, kennis en ervaring met beleggen, en de risicobereidheid. De AFM is geen voorstander van een (zeer) ruime keuze aan bijvoorbeeld beleggingsfondsen. Het uitgangspunt bij de beleggingen en het advies zou moeten zijn dat inkooptariefgericht wordt belegd. Het doel is niet een maximaal pensioen, maar een maximale zekerheid van periodieke pensioenuitkeringen. Omdat op het moment van inkoop de rentestand veelal bepalend is voor het pensioen dat met het kapitaal kan worden ingekocht, zal dit bij de beleggingen een belangrijke rol spelen.
De AFM heeft de pensioenpraktijk uitgenodigd een reactie te geven op dit document. De volgende punten hebben wij bij AFM onder de aandacht gebracht:
AFM heeft aangekondigd met een feedback statement te komen.
Meer weten? Neem contact op met Jeroen Röder.
Om de contante waarde van waardevaste pensioenen te benaderen hanteert Watson Wyatt de termijnstructuur van de risicovrije reële marktrente.
Termijnstructuur van de risicovrije reële rente in de eurozone (in % op jaarbasis)
jaren |
Einde 2004 | Einde 2005 | Einde 2006 | 2007 |
| 1 | 0,0 | 0,8 | 1,6 | 1,7 |
| 5 | 0,8 | 1,0 | 1,7 | 1,9 |
| 10 | 1,4 | 1,3 | 1,8 | 2,0 |
| 15 | 1,7 | 1,4 | 1,8 | 2,1 |
| 20 | 1,8 | 1,4 | 1,8 | 2,1 |
| 25 | 1,9 | 1,4 | 1,8 | 2,1 |
| 30 | 1,9 | 1,4 | 1,8 | 2,1 |
Meer informatie is te vinden op het statistische data gedeelte van onze website.
Onderliggende gegevens
De termijnstructuur wordt geschat op basis van actuele marktrendementen op indexleningen (geïndexeerde staatsobligaties) met de hoogste kredietwaardigheid (AAA) die zijn uitgegeven door Frankrijk en gekoppeld aan de Europese prijsindex (HICP exclusief tabak). Het effect van coupons wordt verwijderd, zodat er geen verschil is tussen looptijd en duratie.
Voorbeeld
Eind oktober 2007 was de reële rente voor een termijn van 10 jaar gelijk aan 2,0%. Wat was op dat tijdstip de actuele marktwaarde van een eenmalig bedrag van EUR 1000 dat met zekerheid aan het einde van die termijn wordt uitgekeerd, als het uit te keren bedrag steeds de prijsindex volgt? Die marktwaarde wordt berekend door EUR 1000 te verdisconteren met 2,0% per jaar ofwel te delen door 1,02010 = 1,219. Het resultaat is EUR 820. Stel nu dat het uit te keren bedrag niet wordt aangepast aan de ontwikkeling van de prijsindex. De overeenkomstige risicovrije nominale marktrente, afgeleid van actuele marktrendementen op niet-geïndexeerde staatsobligaties, was 4,3%. Delen door 1,04310 = 1,524 leidt tot een waarde van EUR 656. De marktwaarde van de toekomstige prijscompensatie was in dit geval dus EUR 820 – 656 = 164.
Breakeven inflation
Het verschil tussen nominale en reële risicovrije rente heet breakeven inflation en komt in het voorbeeld uit op 2,3%. In theorie bestaat de breakeven inflation uit de verwachte inflatie, een inflatierisicopremie en nog wat ruis. In de praktijk blijkt dat de breakeven inflation ongeveer gelijk is aan de vaste inflatie waarvoor de variabele feitelijke inflatie kan worden geruild via inflatieswaps. Het zal duidelijk zijn dat de breakeven inflation iets anders is dan de actuele inflatie.
Welke prijsindex?
De schatting in de bovenstaande tabel gaat uit van indexatie op basis van een Europese prijsindex exclusief tabak. In theorie leidt een andere prijsindex, zoals de Nederlandse CPI, tot een andere termijnstructuur. Omdat er geen indexleningen ten opzichte van de Nederlandse CPI bestaan, kan het verschil niet direct geschat worden. Er zijn wel indexleningen gebaseerd op de Franse prijsindex, en die leiden tot nagenoeg dezelfde termijnstructuur als de Europese prijsindex. Zolang het om een benadering van de marktwaarde gaat (“ex ante”), is het niet onredelijk om van die Europese index uit te gaan. Dat laat onverlet dat de feitelijke ontwikkeling van het prijspeil per regio binnen de eurozone materieel kan verschillen (“ex post”).
Hoe om te gaan met een loonindex
Er zijn geen staatsobligaties die zijn gekoppeld aan een loonindex. Indexatie op basis van lonen kan in theorie gesplitst worden in twee componenten:
Voor de tweede component zou een constante kunnen worden verondersteld, bijvoorbeeld 0,5% of 1%. Dat gebeurt dan bij gebrek aan beter, want er zijn geen gegevens uit de financiële markten of de historie waarmee deze parameter zonder meer eenduidig kan worden onderbouwd. De reële loonontwikkeling helemaal buiten beschouwing laten is ook een mogelijkheid, bijvoorbeeld als de pensioenverplichtingen moeten worden benaderd voor een hypothetisch liquidatiescenario en de loonindex afgeleid is van de loonontwikkeling bij de eigen onderneming.
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
De omgeving van een pensioenfondsbestuurder wordt steeds complexer. De vraag die zich dan aandient is hoe wordt gewaarborgd dat deze wet- en regelgeving ook daadwerkelijk wordt nageleefd: hoe heeft het pensioenfonds haar compliance georganiseerd? In de vakliteratuur wordt het begrip compliance soms breder gedefinieerd, waardoor ook de interne normen en gedragsregels die het pensioenfonds zelf heeft uitgevaardigd onder dit begrip worden geschaard. In het kader van dit artikel wordt uitgegaan van de enge interpretatie die ziet op de naleving van wet- en regelgeving. De eisen die in het kader van compliance worden gesteld aan pensioenfondsbesturen zijn onder meer te vinden in de Pensioenwet (PW) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Pensioenwet
Een van de basisprincipes van de PW is dat het pensioenfonds bij de uitvoering van de pensioenovereenkomst verantwoordelijk is voor de naleving van wet- en regelgeving. Op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (het Besluit) wordt aan pensioenfondsen opgedragen om de volgende waarborgen te stellen in het kader van de bedrijfsvoering:
Wet op het financieel toezicht
De Wft schrijft in het kader van het effectentypisch gedragstoezicht (ETGT) voor dat ieder pensioenfonds:
Voor een nadere toelichting op het ETGT verwijzen wij naar ons artikel in de Update van mei 2007.
Conclusie
Naar aanleiding van de hiervoor genoemde eisen die door de PW en de Wft aan de compliance van pensioenfondsen kan worden gesteld dat het van belang is dat pensioenfondsen de risico’s die gepaard gaan met het niet nakomen van wet- en regelgeving in kaart brengen en beleid formuleren om deze risico’s te beheersen. De continuïteitsanalyse biedt in dit kader een ondersteuning om de financiële risico’s op lange termijn in beeld te brengen. Daarna zal er een borging in de administratieve organisatie en interne controle van het fonds plaats moeten vinden. Een uitvloeisel hiervan is het opstellen van een gedragscode en het aanstellen van een compliance officer. Dit geldt voor ieder pensioenfonds.
Meer weten? Neem contact op met Harmen Pullen.
Als u naar aanleiding van dit nummer van Watson Wyatt Update opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.
Contact |
Overzicht actuele berichten |
Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzichtBekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief. |
Vragen & Opmerkingen |
Ontvang de nieuwsbrief per e-mail |