![]() | 0 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
![]() | 1 |
In dit nummer van de Watson Wyatt Update:
Turbulentie
Door de Amerikaanse hypotheek- en kredietcrisis gaven de financiële markten in de tweede helft van 2007 een beeld van toenemende turbulentie. Zo zijn de credit and liquidity spreads (ofwel rendementsopslagen voor kredietrisico en gebrek aan marktliquiditeit) sterk toegenomen: zie tabel 1. Dit is een direct en indirect gevolg van afkalvend onderpand. Eerst was er de waardedaling van vastgoed in Amerika, dat leidde tot problemen met hypotheken, en vervolgens kwamen beleggingen in portefeuilles van die hypotheken en afgeleide gestructureerde producten aan de beurt.
Tabel 1: toename opslag kredietrisico en liquiditeit in 2007
in procentpunten, naar kredietwaardigheid (bron: JP Morgan)
| Obligaties in EUR | AAA | AA | A | BBB | Junk | ||
| 1. | Alle obligaties | 0,1 | 0,4 | 0,5 | 0,7 | 1,7 | |
| 2. | Bedrijfsobligaties | 0,3 | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 2,5 | |
| a. | Industrials | 0,5 | 0,3 | 0,5 | 0,6 | 2,0 | |
| b. | Financials | 0,2 | 0,6 | 0,9 | 1,1 | 6,1 | |
| 3. | Publieke sector | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,7 | 0,7 | |
Systeemrisico
Inmiddels is ook de reservepositie van de monoline insurers, die obligaties verzekeren, ernstig aangetast. Dit lijkt de aanwezigheid van systeemrisico te bevestigen en maakt het financieren van bedrijfsactiviteiten uit vreemd vermogen waarschijnlijk duurder. In dit verband is ook vermeldenswaard is dat kredietbeoordelaar Moody’s onlangs waarschuwde dat de kredietwaardigheid van de Verenigde Staten in gevaar kan komen door stijgende uitgaven op het gebied van ziektekosten en staatspensioenen. Kennelijk ziet Moody’s een risico dat de Amerikaanse economie een minder solide waarborg wordt voor de Amerikaanse staatsschuld. Als mocht blijken dat de Amerika inderdaad een significant risico van een downgrade loopt, dan zou dat ingrijpende gevolgen voor de financiële wereld kunnen hebben.
Nederlandse pensioenfondsen
De vraag is wat de hypotheek- en kredietcrisis betekent voor Nederlandse pensioenfondsen die op hun beurt onderpand moeten aanhouden om de pensioenen te waarborgen. In eerste instantie zijn de gevolgen afhankelijk van hoeveel ze hebben geïnvesteerd in de verliesgevende Amerikaanse hypotheken en daarvan afgeleide beleggingen. In tweede instantie wordt mogelijk verlies geleden op aandelen en obligaties uitgegeven door ondernemingen die direct getroffen zijn door de crisis, zoals bepaalde financiële instellingen. Tot slot zijn pensioenfondsen uiteraard kwetsbaar voor een verdere uitbreiding van de geconstateerde perikelen over de volle breedte van de markt in de vorm van lagere beurskoersen, meer kredietrisico, hogere volatiliteit, en hogere inflatie, om maar te zwijgen van systeemrisico.
Wat de inflatie betreft: de prijs van het afdekken van inflatie is in de eurozone licht gestegen: zie tabel 2. Een mogelijke verklaring is dat de verwachte inflatie met 0,2% is toegenomen. Toegenomen onzekerheid over de toekomstige inflatie kan ook een rol spelen. Overigens zijn de inflatieruilpercentages lager dan ze in 2004 geweest zijn. Blijkbaar verwacht de markt geen inflatie van ver boven de 2% en valt het inflatierisico wel mee.
Tabel 2: inflatieruil: vast percentage in ruil voor feitelijke inflatie op basis van Europese prijsindex, in procenten (bron: Lehman Brothers)
| Looptijd in jaren | Stand einde 2007 | Toename in 2007 |
| 5 | 2,40 | 0,23 |
| 10 | 2,42 | 0,21 |
| 20 | 2,48 | 0,18 |
| 30 | 2,53 | 0,20 |
Bovendien kunnen de Nederlandse pensioenfondsen wel tegen een stootje. Met gemiddelde dekkingsgraden in de buurt van 135 à 140% zijn de nominale pensioenen einde 2007 over het algemeen ruimschoots gedekt. Ten opzichte van volledig waardevaste pensioenen komen de dekkingsgraden uiteraard aanmerkelijk lager uit, namelijk op 85% à 95%. Volgens deze strengere maatstaf hebben de meeste fondsen geen overschot. Dat neemt niet weg dat volgens onze ramingen de geleidelijke verbetering van de dekkingsgraden van de jaren 2002 tot en met 2006 zich in 2007 heeft voortgezet, ondanks de turbulentie op de financiële markten. Overigens kan uit algemene indices worden afgeleid dat de stijging van 2007 min of meer te niet is gedaan door de ontwikkelingen in de eerste weken van januari 2008.
Pensioenfondsen zijn geen banken, maar toch
Beperkte solvabiliteitstekorten, die bij banken al tot acute problemen leiden, zouden voor pensioenfondsen niet per se fataal hoeven te zijn. Toch blijft er reden voor waakzaamheid. Een deugdelijk gefinancierd waardevast pensioen is geen overbodige luxe in een wereld waarin de prijzen zouden kunnen worden opgedreven door de toenemende welvaart van vele honderden miljoenen consumenten in landen als China en India. In tegenstelling tot de door de recente malaise getroffen banken kunnen pensioenfondsen in moeilijke tijden geen aanvullend kapitaal aantrekken uit bijvoorbeeld het Midden Oosten of het Verre Oosten om in geval van nood hun balans op orde te brengen. Bij pensioenfondsen zou afkalvend onderpand, in de vorm van het ontstaan van een groot en chronisch tekort in de dekking van de indexatie, een hypotheek leggen op de welvaart van toekomstige pensioentrekkers.
Meer weten? Neem contact op met Roland van Gaalen.
In het kader van de voortzetting van een VUT-regeling voor 55-plussers is bij de invoering van de Wet VPL bij amendement Vendrik een zogenaamde actuariële oprentingsverplichting bij uitstel geïntroduceerd. Eindheffing bij de inhoudingsplichtige is bij de inhoudingsplichtige dan niet van toepassing. Ook blijven de eigen bijdragen van werknemers volledig aftrekbaar.
Bij amendement op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2008 heeft mede dezelfde Vendrik voorgesteld de actuariële oprentingsverplichting te beperken. De in het amendement voorgestelde wijziging houdt in dat de fiscale faciliëring ook geldt voor VUT-regelingen waarin geen sprake is van 100% actuariële herrekening, maar van een verhoging van de uitkeringen die minimaal gelijk is aan 50% van de verhoging van de uitkeringen die zou resulteren bij een 100% actuariële herrekening. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat hier sprake is van een compromis. De achtergrond hiervan is dat in ruil voor een beperkte oprenting, bestaande “weeffouten” in pensioenregelingen zullen worden aangepast. Hierbij kan gedacht worden aan het vervallen van het recht op VUT bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd of het verliezen van rechten bij overstap naar een andere werkgever. Het amendement is door de Tweede Kamer aangenomen. De verwachting is dat ook de Eerste Kamer akkoord gaat.
In de praktijk blijkt veel invulling te zijn gegeven aan het overgangsrecht voor 55-plussers. Dit overgangsrecht, althans de oprenting, diende met ingang van 1 januari 2006 plaats te vinden en brengt aanvullende (administratieve) lasten met zich mee. Mochten sociale partners de oorspronkelijk uitvoering van de regeling wensen te wijzigen dan kan dit alleen bij onderlinge overeenstemming. VUT betreft immers een arbeidsvoorwaarde.
Meer weten? Neem contact op met Eric Heemskerk.
Er is met de invoering van de Pensioenwet nogal wat veranderd met betrekking tot het certificeren voor pensioenfondsen. De waarmerkend actuaris moet verklaren of is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van die wet.
Hoewel de reikwijdte van de verklaring op zich niet is toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren, is een aantal elementen wel nader gespecificeerd. Belangrijk onderdeel van de actuariële verklaring blijft uiteraard de uitspraak over de voorziening. In hoofdlijnen komt het erop neer dat de voorziening moet worden berekend met behulp van de rentetermijnstructuur en de sterftekansen op de berekeningsdatum. Bij de sterftekansen wordt rekening gehouden met de verwachte ontwikkeling van de sterftekansen in de toekomst. Watson Wyatt deed dat de afgelopen jaren al aan de hand van de zogenaamde Branstafel. In 2007 heeft het Actuarieel Genootschap sterftetafels gepubliceerd waarin rekening wordt gehouden met de verwachte ontwikkeling van de sterftekansen, en de overgrote meerderheid van de pensioenfondsen zal daar nu van uitgaan. Het berekenen en het analyseren van de resultaten zal veelal ook op basis van de nieuwe sterftetafels en de rentetermijnstructuur plaatsvinden. Dit betekent dat de bepaling van het resultaat anders verloopt dan in voorgaande jaren, althans in methodiek.
Deze en andere veranderingen in de jaarwerkprocedure kunnen tot gevolg hebben dat bepaalde automatismes opnieuw hun plaats moeten vinden. Voor alle betrokkene partijen kan dit extra werk met zich meebrengen. Watson Wyatt heeft alles in het werk gesteld om de aanpassingen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Al vroeg in de aanloop naar het jaarwerkseizoen heeft er overleg plaatsgevonden met diverse administrateurs en andere partijen. Desalniettemin zullen zich in de loop van elke jaarwerkprocedure onontkomelijk nieuwe vragen voordoen. Meer nog dan in andere jaren is daarom goede communicatie tussen administrateur, pensioenfonds en waarmerkend actuaris onontbeerlijk. Watson Wyatt verwacht op 1 juli 2008 terug te kunnen kijken op een geslaagde eerste jaarwerkperiode onder de Pensioenwet.
Meer weten? Neem contact op met Edwin Schokker.
Watson Wyatt voert in 17 West-Europese landen beloningsonderzoeken (General Industry Compensation Surveys) uit. Watson Wyatt heeft ook sectorspecifieke beloningsonderzoeken in o.a. de farmaceutische industrie en IT-sector. Heeft u interesse in deelname, neem dan contact met ons op via mary.cloosterman@watsonwyatt.com of bel met Mary Cloosterman-Hughes op 020-5433000.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet toezicht effectenverkeer (Wte) hebben de pensioenkoepels per 2008 een nieuwe gedragscode voor pensioenfondsen ontworpen. De Wft kent een principal based benadering (in plaats van rule based), waarbij van ieder pensioenfonds wordt verwacht dat zelf een inschatting wordt gemaakt over de te lopen risico’s en de maatregelen die daartegen kunnen worden genomen. Als gevolg van deze benadering zijn er in de nieuwe gedragscode dan ook minder voorschriften opgenomen. Zo hebben pensioenfondsen enige vrijheid om aan het pensioenfonds verbonden personen niet langer als insider aan te merken. De gedragscode geeft suggesties voor de invulling van deze vrijheid.
De model gedragscode bevat in de nieuwe opzet nog slechts één model, aangezien de mogelijkheid tot het geven van een vrijstelling aan pensioenfondsen met een transactievolume van minder dan €20 miljoen op jaarbasis niet meer in de Wft is opgenomen.
Meer weten? Neem contact op met Marijke Biewinga.
Als u naar aanleiding van dit nummer van Watson Wyatt Update opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.
Contact |
Overzicht actuele berichten |
Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzichtBekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief. |
Vragen & Opmerkingen |
Ontvang de nieuwsbrief per e-mail |