|
English version
Watson Wyatt Update
maart 2008 - Nummer 3, jaargang 11
In dit nummer van de Watson Wyatt Update:
Het proces achter de continuïteitsanalyse
In een overleg met De Nederlandsche Bank (DNB) is ons gebleken dat bij continuïteitsanalyses die zijn ingediend bij De Nederlandsche Bank in nagenoeg alle gevallen een begeleidend schrijven van het pensioenfondsbestuur ontbreekt. DNB wil, afgezien van de resultaten van de analyse, graag inzicht krijgen in het proces dat voorafgegaan is aan de uiteindelijke analyse. In het bijzonder zou in de beschrijving van dat proces de rol van het pensioenfondsbestuur zelf aan de orde moeten komen. Het bestuur zou bijvoorbeeld aan kunnen geven hoe en op welke gronden de (economische) aannames zijn bepaald. Ook is DNB geïnteresseerd in de keuze voor stresstests en de invloed van eventuele eerdere varianten van de continuïteitsanalyse of een ALM-studie op de beleidskeuzes. Tevens wordt verwacht dat het bestuur aangeeft hoe het de verschillende aspecten van de uiteindelijke resultaten waardeert, en welke normen het daarbij heeft gehanteerd.
Watson Wyatt zal pensioenfondsbesturen in het vervolg nadrukkelijk wijzen op het belang van dit begeleidende document, waarin het proces achter de continuïteitsanalyse wordt beschreven. Hoewel dit uitdrukkelijk een taak voor het bestuur zelf is, kunnen wij besturen daarbij uiteraard van dienst zijn. Hetzelfde geldt voor fondsen die al een continuïteitsanalyse hebben uitgevoerd. Wanneer zij de resultaten zonder beschrijving van het proces bij DNB hebben aangeleverd, wordt dit alsnog van hen verwacht.
Meer weten? Neem contact op met Wichert Hoekert.
Naar boven
Ontwerpbesluit inzake het WGA-hiaat
Minister Donner heeft in een ontwerpbesluit voorgesteld de Pensioenwet dusdanig aan te passen dat het zogenaamde WGA-hiaat valt onder het begrip ‘arbeidsongeschiktheidspensioen’. Dit is een reactie op de veelvuldig gevoerde discussie in hoeverre pensioenfondsen ook onder de Pensioenwet nog een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen zouden mogen uitvoeren. DNB stelde zich op het standpunt dat de WGA een combinatie zou zijn van een arbeidsongeschiktheidsvoorziening en een werkloosheidsvoorziening, met als conclusie dat pensioenfonds geen WGA-hiaat dekking als onderdeel van de pensioenregeling mogen uitvoeren. Met de komst van het ontwerpbesluit komt aan deze discussie een einde.
De minister heeft ontkend dat de WGA in de eerste plaats een werkloosheidsverzekering is. De uitkering uit hoofde van de WGA is afhankelijk van de mate waarin de werknemer zijn resterende verdiencapaciteit benut. Hoe meer de werknemer dat doet, hoe hoger de uitkering (het ‘werken loont’ principe), zodat er vanuit de WGA een prikkel aanwezig is om te blijven werken. Zowel het Verbond van Verzekeraars als ook de heer Kalkman (hoogleraar verzekeringsrecht aan de Universiteit van Amsterdam) heeft inmiddels op het ontwerpbesluit gereageerd. Het Verbond heeft aangegeven dat in haar ogen wel degelijk gesproken moet worden van dekking van het werkloosheidsrisico, omdat het recht op uitkering alleen wordt verkregen in de situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer zijn resterende verdiencapaciteit onvoldoende kan benutten. Ook de heer Kalkman is van mening dat een WGA-hiaatverzekering een belangrijke werkloosheidscomponent bevat, doordat geenszins kan worden gesproken van een dekking van ‘in de persoon gelegen omstandigheden’. Het ontwerpbesluit is volgens hen zowel onnodig als ongewenst. Ook Watson Wyatt vindt dat het besluit niet noodzakelijk is. Een pensioen wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid dat rekening houdt met de WGA is volgens ons namens ook zonder het besluit al te kwalificeren als een arbeidsongeschiktheidspensioen conform de Pensioenwet. Op grond daarvan zou het zowel pensioenfondsen als levensverzekeraars toegestaan moeten zijn om een dergelijke regeling uit te voeren. De ontstaansvoorwaarde van de WGA-uitkering ligt immers primair in arbeidsongeschiktheid en niet in werkloosheid.
Op grond van het ontwerpbesluit zullen de veel voorkomende traditionele regelingen die aanvullen tot een vast percentage van het laatste loon, waarbij het niet uitmaakt hoeveel de zieke werknemer nog werkt, verboden worden. Pensioenfondsen mogen volgens het ontwerpbesluit de volgende varianten inzake het arbeidsongeschiktheidspensioen dekken:
- aanvullingen op WIA-uitkeringen terzake van volledige arbeidsongeschiktheid en aanvullingen op WIA-uitkeringen aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten, die hun resterende verdiencapaciteit volledig waarmaken;
- aanvullingen op de WGA-vervolguitkering en op de WGA-loonaanvulling, die niet variëren met de mate waarin de restverdiencapaciteit wordt gerealiseerd;
- een hogere aanvulling (bonus) op de vervolguitkering dan op de loonaanvullingsuitkering, mits die aanvulling op voornoemde uitkeringen niet afneemt naarmate de gedeeltelijk arbeidsongeschikte meer gaat werken.
De regering is voornemens het besluit per 1 januari 2009 in werking te laten treden, teneinde sociale partners in staat te stellen hun arbeidsongeschiktheidspensioen-regelingen –voor zover dat nodig is- aan te passen. Om te voorkomen dat de huidige onheldere tot die tijd situatie blijft voortbestaan wordt in het besluit een overgangsmaatregel getroffen die aanvullingen op WIA-uitkeringen, die buiten het begrip arbeidsongeschiktheids-pensioen vallen, als arbeidsongeschiktheidspensioen worden aangemerkt. Wij houden u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.
Meer weten? Neem contact op met Sandra Bertram.
Naar boven
Kostenvoorziening
Voor de fondsen die Watson Wyatt adviseert en certificeert, wordt vanaf de inwerkingtreding van de Pensioenwet een verfijning van de methodiek voor de kostenvoorziening nagestreefd. Deze verfijning is onder meer gebaseerd op een passage in het Besluit FTK. Daarin wordt gesteld hoe de technische voorziening wordt vastgesteld: niet op basis van de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen, maar op basis van de daaruit naar verwachting voortvloeiende kasstromen (paragraaf 2, artikel 2, lid 1). Omdat de kasstromen die voortvloeien uit de verplichtingen ook de kosten omvatten, dient in de technische voorziening een kostenvoorziening te zijn opgenomen.
De methodiek die Watson Wyatt hanteert om de kostenvoorziening als onderdeel van de technische voorziening te bepalen komt in hoofdzaak op het volgende neer. De kosten waarvoor op de datum van vaststelling een voorziening aanwezig moet zijn, zijn (ten minste) de voorzienbare kosten wanneer de sponsor van het fonds weg zou vallen. Alle kosten voor premievrije polissen, pensionering en ingegane pensioenen, alsmede de jaarlijkse kosten zullen zich dan blijven voordoen. Watson Wyatt gaat ervan uit dat alle kostenposten jaarlijks stijgen met de prijsinflatie.
Ook wanneer het fonds gewoon een premiestroom blijft houden geeft een dergelijke kostenvoorziening qua solidariteit het meest logische beeld. Wanneer een deelnemer uit dienst treedt of pensioneert is op deze wijze namelijk al voldoende gereserveerd om ook aan alle toekomstige kosten te voldoen. Is dat niet het geval, dan moeten kosten na uitdiensttreding of pensionering uit de premie nadien of uit het vrije vermogen worden betaald.
Meer weten? Neem contact op met Wichert Hoekert.
Naar boven
Nieuw besluit internationale aspecten van pensioen (deel 1)
26 februari 2008
Op 31 januari 2008 is een samenvoeging en actualiseringsbesluit van het Ministerie van Financiën gepubliceerd (Besluit van 31 januari 2008 nr. CPP2007/98M. Het Besluit bevat tevens een aanwijzing van een aantal regelingen als pensioenregelingen. Voorts is sprake van terminologische overeenstemming met de Pensioenwet.
Concreet betreft het Besluit de samenvoeging en actualisering van de volgende Besluiten.
- Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/3178M, over overdracht van pensioenkapitaal aan EU/ECB;
- Besluit van 17 januari 2002, nr. CPP2001/3181M, over overdracht van pensioenkapitaal vanuit het buitenland;
- Besluit van 16 juli 2002, nr. CPP2002/784M. over overdracht van pensioenkapitaal aan een buitenlandse verzekeraar;
- Besluit van 6 augustus 2002, nr. CPP2002/784M, over in het buitenland opgebouwde zuivere pensioenen waarvoor tijdens de opbouw geen tegemoetkoming is genoten;
- Besluit van 24 september 2002, nr. CPP2002/1640M, over aanwijzing van onzuivere buitenlandse pensioenregelingen;
- Besluit van 22 januari 2004, nr. CCP2003/200M, over overdracht van pensioenkapitaal aan een pensioenfonds van een internationale organisatie.
Deze besluiten zijn met ingang van de inwerkingtreding van dit Besluit komen te vervallen.
In dit deel 1 van deze Update besteden wij aandacht aan een aantal elementen uit het Besluit waarbij wordt stilgestaan bij (internationale) pensioenaspecten van inkomende werknemers en voortzetting van de buitenlandse pensioenregeling. In deel 2 zullen wij de afwikkeling van waardeoverdrachten naar Nederlandse pensioenregelingen behandelen. In het afsluitende deel gaan wij in op de fiscale aspecten van uitgaande werknemers.
Internationale pensioenaspecten bij inkomende werknemers
Om zoveel mogelijk bestaande belemmeringen voor internationale arbeidsmobiliteit weg te nemen worden in het Besluit een aantal aanwijzingen verleend om de voortzetting buitenlandse pensioenregelingen door inkomende werknemers vanuit een EU-lidstaat door middel van fiscale tegemoetkomingen te waarborgen. Ook de voortzetting van een pensioenregeling van een niet-EU-lidstaat wordt onder voorwaarden mogelijk gemaakt.
Voorts worden in het Besluit de kaders omschreven waaronder een inkomende werknemer zijn in het buitenland opgebouwde pensioen kan inbrengen binnen de Nederlandse pensioenregeling. In het verlengde hiervan wordt tevens de afwikkeling geschetst in de uitkeringsfase indien destijds voor het buitenlandse pensioen geen sprake is geweest van een fiscale faciliteit.
Wij behandelen de meest in het oog springende wijzigingen/ voorwaarden.
Voortzetting buitenlandse pensioenregeling (EU-lidstaat)
De aanwijzing komt neer op fiscale erkenning door Nederland van alle regelingen voor aanvullend pensioen in de EU in geval van een tewerkstelling in Nederland.
Werknemers die hebben gewerkt bij een buitenlandse werkgever en die tijdelijk werknemer in de zin van de Wet LB’64 worden willen vaak de buitenlandse pensioenregeling voortzetten zolang zij in Nederland belastingplichtig zijn. Omdat een buitenlandse pensioenregeling meestal niet kwalificeert als pensioenregeling in de zin van de Wet LB’64, zal de regeling moeten worden aangewezen om fiscale begunstiging te verkrijgen. Het betreft hier een aanwijzing in de zin van artikel 19d onderdeel c Wet LB’64. De regeling wordt aangewezen en niet de pensioenuitvoerder als zogeheten toegelaten aanbieder. Dit laatste wordt geregeld in artikel 19a lid 1, onderdeel f Wet LB’64 en hoeft in dit kader niet plaats te vinden omdat sprake is van voortzetting van een bestaande regeling waarbij de soort uitvoerder niet relevant is.
Voortzetting van een buitenlandse pensioenregeling door een inkomende werknemer kan gedurende 5 jaar plaatsvinden. In vergelijking met het vervallen besluit is het nu ook de mogelijkheid toegevoegd een buitenlandse pensioenregeling voort te zetten waarbij de uitvoerder niet een professionele verzekeraar/ pensioenfonds betreft. In bijvoorbeeld Duitsland is het toegestaan de pensioenregeling uit te voeren door middel van een voorziening op de balans van de onderneming. In dat kader is het van belang dat deze aanwijzing in overeenstemming met de minister van SZW heeft plaatsgevonden.
Fiscale begunstiging (onbelaste aanspraak en aftrekbaarheid van werknemerspremies) wordt begrensd op de fiscale begunstiging die op grond van de belastingwetten is toegestaan in de lidstaat waar de werknemer deelneemt in de voort te zetten regeling. Hiermee wordt dus tijdelijk het gebruikelijke uitgangspunt van gelijkheid van behandeling van alle werknemers op het grondgebeid van de werkstaat verlaten. Dit mede met het oog op het verlagen van de administratieve lasten voor werkgever en werknemer. Dat de buitenlandse pensioenregeling een afkoopmogelijkheid in zich heeft hoeft aanwijzing niet in de weg te staan, mits een dergelijke afkoop in dat land gebruikelijk is.
Voortzetting buitenlandse pensioenregeling (niet EU-lidstaat)
Indien sprake is van voortzetting van een pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder van buiten de EU gelden deels andere voorwaarden voor aanwijzing. Het is opvallend dat hier niet de mogelijkheid wordt geschapen een pensioenregeling voort te zetten die wordt uitgevoerd door de werkgever uit het land van herkomst. Voorts wordt de gedeeltelijke aanwijzing geïntroduceerd waarbij de fiscale faciliëring niet verder gaat dan dat wat gebruikelijk is in het land van herkomst. Vervolgens wordt wel getoetst aan de begrenzingen van de Wet LB’64. Als deze begrenzing wordt overschreden zal aanwijzing slechts van toepassing zijn op de het begrensde pensioen.
Een strikte voorwaarde ten opzichte van de behandeling van EU-lidstaten is tevens dat bij wijziging van de buitenlandse regeling op meer dan ondergeschikte punten, een nieuw verzoek tot aanwijzing dient te worden gedaan. Verder is de aanwijzing van kracht tot het moment waarop wijziging in Nederlandse fiscale wet- of regelgeving plaatsvindt.
Meer weten? Neem contact op met Eric Heemskerk.
Naar boven
Nieuw besluit internationale aspecten van pensioen (deel 2)
Deel 1 is hierboven te lezen.
Waardeoverdracht vanuit het buitenland
In het Besluit van 31 januari 2008, nr. CPP2007/98M (Internationale aspecten van pensioen) is ten behoeve van inkomende werknemers door de staatssecretaris van Financiën zowel een aanwijzing als een goedkeuring verstrekt in het kader van de afwikkeling van een waardeoverdracht uit het buitenland. Genoemd Besluit dient ter vervanging van het Besluit van 17 januari 2002, nr. CPP2001/3181M.
De aanwijzing is benodigd vanwege het feit dat bij overdracht vanuit een buitenlandse pensioenuitvoerder naar een Nederlandse pensioenregeling, strikte toepassing van de Wet LB’64 en de daarop gebaseerde regelgeving tot gevolg kan hebben dat de gehele Nederlandse pensioenaanspraak strijdig wordt met de eisen gesteld aan fiscale begunstiging. Overdrachten vanuit een buitenlandse pensioenuitvoerder die zijn gebaseerd op buitenlandse diensttijd zijn immers niet geregeld in genoemd Uitvoeringsbesluit. Omdat dit een ongewenste situatie is wordt onder voorwaarden de pensioenregeling toch als pensioenregeling in de zin van de Wet LB’64 beschouwd. Het pensioenkapitaal dient rechtstreeks aan de Nederlandse pensioenverzekeraar te worden overgedragen. De Nederlandse werkgever kent niet meer pensioenrechten toe dan hetgeen overeenkomt met het overgedragen kapitaal en na de waardeoverdracht blijft de regeling in alle overige opzichten voldoen aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Wet LB’64. Het betreft hier een collectieve aanwijzing. Mits men voldoet aan de gestelde voorwaarden hoeft men niet om aanwijzing te verzoeken.
De goedkeuring heeft betrekking op de situatie waarin iemand tijdelijk in het buitenland werkzaam is geweest onder voortzetting van de Nederlandse pensioenregeling. Vaak heeft deze persoon in het buitenland geen fiscale vrijstelling (omkeerregel) en geen premieaftrek gekregen. Bij het genieten van pensioenuitkering na terugkomst in Nederland zal dan sprake zijn van dubbele heffing. Immers, de uitkeringen zullen gewoon belast worden. Als de belastingplichtige echter desgevraagd aannemelijk kan maken dat in het verleden daadwerkelijk belasting is geheven die naar aard en strekking overeenkomst met de loonbelasting of de inkomstenbelasting (inclusief het gemis aan premieaftrek), mag een deel van de pensioenuitkeringen buiten de heffing van loon- en inkomstenbelasting blijven. Feitelijk is sprake van een herintroductie van de saldomethode die wetstechnisch gezien sinds de introductie van de Wet IB 2001 niet meer bestaat. Zodra de pensioenuitkeringen het bedrag waarover in het verleden geen vrijstelling en geen premieaftrek is verkregen, overschrijdt zal pas belastingheffing plaatsvinden. Het is dus voor de werknemer zaak de fiscale situatie die zich tijdens het verblijf in het buitenland heeft afgespeeld, nauwgezet te administreren.
Meer weten? Neem contact op met Eric Heemskerk.
Naar boven
Aankondiging seminar ‘Zicht op pensioenrisico’s en beheersing’
Op dinsdag 22 april organiseert Watson Wyatt het seminar ‘Zicht op pensioenrisico’s en beheersing’. Op onze evenementen pagina vindt u meer informatie over dit seminar.
Vragen of opmerkingen?
Als u naar aanleiding van dit nummer van Watson Wyatt
Update opmerkingen of vragen heeft, laat
dit dan aan ons weten.
Naar boven
Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen
wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de
informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen
acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."
© 2008 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
|