Actualiteiten

0
1
1
1
1
Nederland
Verander locatie

Brans Brief special fiscaliteit / WAO, jaargang 7, december 2004

 

In dit nummer van Brans Brief:
 

Stand van zaken wijzigingen VUT en prepensioen en introductie levensloopregeling

Afspraken arbeidsongeschiktheidsstelsel in sociaal akkoord

Kerst- en Nieuwjaarswens

Stand van zaken wijzigingen VUT en prepensioen en introductie levensloopregeling

Op 25 november 2004 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling door de Tweede Kamer aangenomen. De behandeling in de Eerste Kamer zal naar verwachting medio februari 2005 zijn afgerond. In deze Brans Brief geven wij een overzicht van de stand van zaken omtrent pensioen en VUT.

VUT
De fiscale begunstiging voor VUT-regelingen en omslaggefinancierde prepensioenregelingen zal met ingang van 1 januari 2005 komen te vervallen. Dit betekent dat met ingang van genoemde datum dergelijke regelingen niet meer fiscaal begunstigd kunnen worden ingevoerd. Voor per 31 december 2004 bestaande regelingen geldt een overgangsregeling die kan worden gesplitst in twee delen.

  • Voor werknemers die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder zijn kan de huidige VUT-regeling fiscaal begunstigd worden voortgezet.

  • Voor werknemers die op laatstgenoemde dag jonger zijn dan 55 jaar geldt een gefaseerde afbouw van de fiscale begunstiging. Tot 1 januari 2011 is de werknemersbijdrage slechts voor de helft aftrekbaar en geldt voor de inhoudingsplichtige (werkgever of VUT-fonds) dat de op hem drukkende bijdrage en/of uitkering als eindheffingsbestanddeel zal worden belast met 26%. Indien sprake is geweest van inhouding van een werknemersbijdrage zal in zoverre geen sprake zijn van eindheffing bij de inhoudingsplichtige. De uitkeringen zullen te allen tijde belast worden bij de gerechtigden. Na 1 januari 2011 geldt dat de eindheffing 52% bedraagt en dat de werknemersbijdrage in het geheel niet meer aftrekbaar is.

VUT-uitkeringen die reeds voor 1 januari 2006 worden gedaan, kunnen overigens volledig conform het huidige regime worden afgewikkeld.

 Vanwege het feit dat integrale toepassing van de omkeerregel tot ongewenste fiscale effecten zou leiden heeft het Kabinet ondanks kritiek van de Raad van State gekozen voor deze systematiek van dubbele heffing. Indien ervoor wordt gekozen een VUT-regeling voor zowel 55+ als 55- te continueren is het van belang dat de regelingen afzonderlijk worden geadministreerd waarbij separate premies worden toegepast.

Prepensioen
Met ingang van 1 januari 2005 vervalt de omkeerregel voor prepensioen. Vanaf dat moment kunnen geen fiscaal begunstigde prepensioenregelingen worden ingevoerd. Ook hier wordt overgangsrecht geïntroduceerd. De tot 1 januari 2006 opgebouwde aanspraak in een op 31 december 2004 bestaande prepensioenregeling kunnen volledig worden uitgevoerd conform het huidige fiscale prepensioenregime. Voorts kan, indien dit reglementair mogelijk wordt gemaakt, de aanspraak op prepensioen worden omgezet in een hoger levenslang ouderdomspensioen dan wel worden afgekocht mits de waarde wordt aangewend in de levensloopregeling. Onder prepensioen dient in dit verband te worden verstaan alle uitkeringen gericht op een pensioendatum vóór de 65-jarige leeftijd. Voor werknemers die op 31 december 2004 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt blijft de omkeerregel van toepassing, mits de uitkeringen actuarieel worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan de op de in de regeling vastgelegde prepensioendatum. Ook moet de regeling een mogelijkheid tot deeltijdpensioen bieden. Beide faciliteiten zullen uiterlijk per 1 januari 2006 in het reglement moeten worden opgenomen.

Ouderdomspensioen en overbruggingspensioen
Met ingang van 1 januari 2005 geldt de omkeerregel alleen nog maar voor ouderdomspensioen vanaf 65 jaar indien dit blijft binnen de grenzen van 2% eindloon dan wel 2,25% middelloon met een maximum van 100% van het pensioengevend salaris inclusief de AOW. Het is uiteraard nog steeds mogelijk om het ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan mits actuariële herrekening plaatsvindt. Wel is het mogelijk in de situatie dat op of vóór de 63-jarige leeftijd, 40 deelnemingsjaren zijn bereikt op dat moment een pensioenniveau vast te stellen ter grootte van 70% van het laatstverdiende loon.

Bij de bepaling van dit maximum moeten resterende delen van overbruggingspensioen, prepensioen en ouderdomspensioen vóór de 65-jarige leeftijd worden meegeteld. Hoe het begrip deelnemingsjaren zal worden ingevuld, zal in een uitvoeringsregeling moeten worden verduidelijkt. Naast de mogelijkheid van het 40-deelnemingsjarenpensioen is het mogelijk een lagere AOW-franchise in te bouwen indien ook een lager opbouwpercentage wordt gehanteerd. Dit heeft met name een gunstig effect op de pensioenopbouw van de lagere inkomens. Voorts wordt het onder voorwaarden mogelijk om niet benutte fiscale ruimte in de pensioenregeling in te kopen. Voor deze inkoop geldt een maximale financieringsperiode van 15 jaar. De PSW zal hier op moeten worden aangepast.

Het overgangsrecht ter zake van levenslang ouderdomspensioen vóór 65 jaar komt overeen met dat voor prepensioen. Dit betekent dat per 1 januari 2006 bestaande aanspraken integraal kunnen worden uitgevoerd conform het huidige fiscale regime dan wel worden afgekocht ten behoeve van de levensloopregeling. Voor werknemers die op 31 december 2004 55 jaar of ouder zijn kan de bestaande pensioenregeling met behoud van de omkeerregel tot aan de pensioendatum worden uitgevoerd.

In de praktijk was de gedachte ontstaan dat voor werknemers jonger dan 55 jaar de toekomstige opbouw op basis van de 65-jarige leeftijd zou kunnen worden beperkt door de opgebouwde aanspraak op basis van een eerdere pensioenleeftijd. Naar onze mening kon op basis van het wetsvoorstel worden afgeleid dat een beperking van de toekomstige opbouw niet aan de orde kon zijn. Een en ander is nu in de 5e Nota van wijziging aanhangig gemaakt.

Met betrekking tot het overbruggingspensioen kan worden opgemerkt dat ook hier de overgangsregels voor prepensioen kunnen worden toegepast.

Leeftijdsdiscriminatie
Het kabinet stelt zich op het standpunt dat een objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden gevonden in het toepassen van de leeftijdsgrens van 55 jaar bij de toepassing van de overgangsregeling. Wij wijzen u erop dat dit geen uitgemaakte zaak is. Van geval tot geval zal binnen de arbeidsvoorwaarden van de werkgever moeten worden bezien of strijd met de WGBL aan de orde is. Het door middel van een fiscale wet toestaan van een leeftijdsgerelateerde overgangsregeling impliceert nog niet dat concrete toepassing ervan de werking van de WGBL uitsluit.

Levensloopregeling
Met ingang van 1 januari 2006 wordt de levensloopregeling ingevoerd. Dit betekent dat alle werkgevers aan haar werknemers een dergelijke regeling beschikbaar moeten stellen. Deelname is een wettelijk recht voor alle werknemers en kan alleen in geld geschieden.

Werknemers mogen per jaar maximaal 12% van het bruto loon in de levensloopregeling sparen. Er mag in totaal 210% van het laatstverdiende loon worden opgebouwd. Indien deze absolute grens aan het eind van het kalenderjaar is bereikt, mag in het daarop volgende jaar niet meer worden gestort. Voortzetting van storting is slechts weer mogelijk op het moment dat het saldo (door opname of verhoging van salaris) weer beneden de grens komt. Bij een reguliere opname uit de levensloopregeling geldt een levensloopverlofkorting van € 183 per jaar dat er is gespaard. Naar aanleiding van de 2e Nota van wijziging is tevens de mogelijkheid voor een onbelaste werkgeversbijdrage geïntroduceerd. De werkgever mag echter geen voorwaarden verbinden aan het toekennen van deze bijdrage. Voorts moet de bijdrage ook aan werknemers worden verstrekt die niet deelnemen in de levensloopregeling. Deze zal dan belast worden als regulier loon. Indien niet aan de voorwaarden voor een levensloopregling wordt voldaan zal de aanspraak op het levensloopsaldo ineens worden aangemerkt als loon.

Ook voor een levensloopregeling is overgangsrecht van toepassing. De aanspraken die op 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge de huidige regeling voor verlofsparen zullen worden aangemerkt als aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen. Dit betekent dat indien tijd is gespaard deze aanspraak in geld gewaardeerd zal moeten worden. Voor werknemers die op 31 december 2004 50 jaar of ouder zijn en die niet onder het overgangsrecht voor VUT en prepensioen vallen geldt het stortingsmaximum van 12% niet. Wel geldt nog steeds het absolute maximum van 210%. Zoals aangegeven, mogen alle per 1 januari 2006 opgebouwde pensioenaanspraken voor 65 jaar worden afgekocht en gestort worden op de levenslooprekening.

Afkoop voor consumptieve doeleinden wordt niet toegestaan. Het doorstorten naar levensloop is naar onze mening niet zinvol gezien het feit dat hierdoor de werknemer zijn toekomstige aftrek op basis van de levensloopregeling beperkt.

Doelstelling van de levensloopregeling is een inkomensvoorziening te vormen voor perioden van verlof dan wel aanvulling op pensioen te realiseren. Met nadruk merken wij op dat te allen tijde sprake moet zijn van een contractuele arbeidsverhouding wil op reguliere wijze uitvoering gegeven worden aan de levensloopregeling. Het beëindigen van de dienstbetrekking voorafgaand aan pensionering en opname uit de levenslooprekening, valt hier ons inziens niet onder.

Dit betekent dat sprake is van niet reguliere afwikkeling hetgeen heffing ineens over het totale saldo impliceert. Wellicht dat een en ander in de toekomst nog wordt verduidelijkt.

Een levensloopregeling kan worden uitgevoerd door een bank, verzekeraar dan wel een dochter of uitvoeringsorganisatie van een pensioenfonds. De dochter zal volledig onder de toezichtswetgeving voor financiële instellingen komen te vallen en is ook vennootschapsbelastingplichtig. Voorts zal er niet zonder toestemming van de betrokkene gegevensuitwisseling tussen dochter en pensioenfonds mogen plaatsvinden.

De werknemer kan jaarlijks kiezen tussen storten in de spaarloonregeling of opbouwen binnen de levensloopregeling.

De levensloopregeling legt een aanzienlijke administratieve last op dat van werkgever en uitvoerder. Om een aantal zaken te noemen, als inhoudingsplichtige dient de werkgever zich bij indiensttreding door de werknemer op de hoogte te laten stellen van het levensloopsaldi opgebouwd bij een vorige werkgever. De werknemer heeft de vrijheid om zelf de uitvoeringsinstelling aan te wijzen waar hij zijn levensloopgelden wil laten storten. De werknemer kan namelijk nooit gedwongen worden deel te nemen aan een door de werkgever aangewezen uitvoerder. Het blijft een individuele financieringsregeling. Het is van belang dat nadere invulling aan de levensloopregeling wordt gegeven door middel van een fiscale uitvoeringsregeling.

Conclusie
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is gebleken dat kamerleden en ministeries zodanig op de proef werden gesteld dat fouten in het wetgevingsproces onontkoombaar waren. De meeste fouten zijn inmiddels hersteld. Gebleken is dat de Eerste Kamer zich niet voor dit (snelle) karretje laat spannen De plenaire behandeling is dan ook pas voorzien op 15 februari 2005.

Meer weten? Neem contact op met Eric Heemskerk.

Naar boven

Afspraken arbeidsongeschiktheidsstelsel in sociaal akkoord

De eerste fase tot herziening van het huidige arbeidsongeschiktheidsstelsel is op 1 januari 2004 reeds in gang gezet door de loondoorbetalingverplichting van de werkgever bij ziekte te verlengen van één naar twee jaar. Aan de tweede fase wordt waarschijnlijk in 2006 uitvoering gegeven door het WAO-stelsel grondig te wijzigen. Hiervoor zijn echter nog geen wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer. Wel heeft het kabinet met de vakbonden op 5 november 2004 een sociaal akkoord bereikt over het nieuwe stelsel.

De volgende afspraken zijn gemaakt:

  • Een grotere groep WAO-ers valt buiten de herkeuring volgens de nieuwe strengere criteria die vanaf 1 oktober 2004 zijn neergelegd in het aangescherpte Schattingsbesluit. Voor degenen die nu in de WAO zitten en ouder zijn dan 50 jaar blijft het oude WAO-stelsel van kracht. Bij eventuele herkeuring van deze groep blijven de criteria uit het oude Schattingsbesluit van toepassing.

  • Vanaf 2006 komen werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en geen of een geringe kans hebben op herstel, in de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). Zij worden de eerste vijf jaar jaarlijks herkeurd om te bezien of herstel optreedt.

  • De IVA-uitkering bedraagt 70% van het laatst verdiende loon (tot maximum dagloon). Degenen die langdurig zijn aangewezen op de IVA krijgen niet te maken met een verdere inkomensachteruitgang; hiermee vervalt het zogeheten “WAO-hiaat”. Wij adviseren u in dit kader om reeds nu met uw pensioenverzekeraar of pensioenfonds te spreken over restitutie van voor dit hiaat bestemde premies.

  • Het wetsvoorstel BALTZ - dat betalingen boven 70% van het laatste loon in het tweede ziektejaar ontmoedigt - wordt niet ingediend. Het kabinet ziet hiervan af op grond van de afspraken die werkgevers en werknemers samen maken over het beperken van de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar.

  • Als er vanaf 2006 niet meer dan 25.000 volledig duurzaam arbeidsongeschikten per jaar bijkomen, zal de IVA-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 worden verhoogd tot 75% van het laatst verdiende loon (tot maximum dagloon).

  • Wordt een werknemer in de IVA op gegeven moment gedeeltelijk arbeidsgeschikt gekeurd, dan gaat deze over naar de Werkhervattingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Bij de overgang van de IVA naar de WGA geldt een loongerelateerde periode van ten minste 1 jaar, onder aftrek van de periode die in de IVA is doorgebracht.

  • Na ommekomst van de loongerelateerde uitkering in de WGA, wordt de loonaanvulling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten afhankelijk gesteld van een minimale benutting van 50% van de resterende verdiencapaciteit. De loonaanvulling bedraagt 70% van het verschil tussen het oude loon en het loon bij volledige benutting van de resterende verdiencapaciteit.

  • Er is overeenstemming bereikt over een fifty-fifty verdeling van de WGA-lasten. Afgesproken is dat het kabinet inzicht zal verschaffen in de inkomenseffecten van een dergelijke premieverdeling. Sociale partners kunnen compensatie zoeken binnen de verdeling van werkgevers- en werknemerspremies in de sfeer van de werknemersverzekeringen.

De gevolgen van het kabinetsoverleg inzake de WAO zullen in het wetsvoorstel Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan de orde komen. Dit wetsvoorstel is nog niet ingediend bij de Tweede Kamer.

Meer weten? Neem contact op met Femke Jansen.

Naar boven

Kerst- en Nieuwjaarswens

Bij deze wensen de medewerkers en vennoten van Watson Wyatt Brans & Co u prettige kerstdagen, een gezellige jaarwisseling en een goede gezondheid in 2005 toe. Wij hebben besloten om ook dit jaar geen kerstkaarten aan onze relaties te verzenden. Het hiermee bespaarde bedrag is geschonken aan het Wereld Natuur Fonds ten behoeve van het Borneo project.

Naar boven

Vragen of opmerkingen?

Als u naar aanleiding van dit nummer van Brans Brief opmerkingen of vragen heeft, laat dit dan aan ons weten.

Naar boven


Disclaimer: "Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies."

© 2009 Watson Wyatt B.V. Alle rechten voorbehouden.
Contact
Overzicht actuele berichten 

Watson Wyatt Update Nieuwsbrief overzicht 

Bekijk hier uitgaven van de Watson Wyatt Update Nieuwsbrief.

Vragen & Opmerkingen 

Ontvang de nieuwsbrief per e-mail