|
Laag/hoog-constructie
Zie ook: hoog/laag-constructie.
Langetermijnherstelplan
Zie: herstelplan.
Langlevenrisico
Het gegeven dat een verzekerde persoon langer kan leven dan op basis van de
gehanteerde sterftekansen wordt verwacht. Dit risico is van belang
voor onder andere het ouderdomspensioen.
Lasten-minus-batenmethode
Methode van reservering voor pensioenverplichtingen, indien voor de
financiering het
inhaalpremiesysteem wordt gebruikt. In dit systeem blijft de
premiehoogte zoveel mogelijk gelijk.
Het
te reserveren bedrag wordt vastgesteld als het verschil tussen de contante
waarde van de in het vooruitzicht gestelde
pensioenaanspraken (de lasten) en de contante waarde van de
in de toekomst te ontvangen premies (de baten).
Latent partnerpensioen
Een partnerpensioen dat nog niet is ingegaan.
LDI
Afkorting voor long duration investments.
Leeftijdsdiscriminatie
Directe discriminatie of
indirecte discriminatie
op grond van leeftijd.
Op 1 mei 2004 is de ‘Wet gelijke behandeling op grond van de
leeftijd bij de arbeid’ in werking getreden. Vanaf deze datum is
leeftijdsdiscriminatie bij arbeidsvoorwaarden verboden, tenzij
sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond of dit onderscheid
objectief kan worden gerechtvaardigd. Omdat pensioen een
arbeidsvoorwaarde is, geldt dit verbod ook voor pensioenregelingen.
Leeftijdsterugstelling
Het bewust kijken in de sterftetafel bij een jongere
leeftijd dan de daadwerkelijke leeftijd, om zo te anticiperen op een
toekomstige stijging van de gemiddelde levensduur van de gehele
bevolking of van een bevolkingsgroep (bijvoorbeeld alleen mannen).
Levensjarenstelsel
Een term die wordt gebruikt bij de nadere typering van een
specifieke eindloonregeling.
Bij salarisverhogingen worden in eindloonregelingen ook hogere
pensioenaanspraken over voorgaande jaren gegeven. In
levensjarenstelsels worden deze hogere aanspraken verleend over alle
jaren vanaf een bepaalde leeftijd (meestal 25 jaar). Dus ook over de jaren
waarin de werknemer geen deelnemer was aan de pensioenregeling.
Het
doel van het geven van hogere aanspraken over alle jaren vanaf een
bepaalde leeftijd is het geven van compensatie voor het bevriezen
van pensioenaanspraken die eventueel bij een vorige werkgever zijn
opgebouwd. Zulke pensioenen verliezen door inflatie
snel een deel van hun waarde. Het levensjarenstelsel is niet meer
toegestaan.
Levensloopregeling
Met ingang van 1 januari 2006 dient iedere werknemer in staat te worden gesteld te sparen voor een levensloopverloftegoed. Dit tegoed kan worden aangewend voor de financiering van perioden van extra verlof. De eigen bijdrage aan de levensloopregeling dient te worden ingehouden op het bruto loon en bedraagt
per jaar maximaal 12% van het bruto loon. In een kalenderjaar mag niet meer worden gespaard indien het levenslooptegoed (inclusief rendement) 210% of meer bedraagt van het bruto loon in het voorafgaande kalenderjaar. Een levensloopregeling kan worden uitgevoerd door een bank, verzekeraar of een beleggingsinstelling.
Levensverzekeraar
Verzekeraar die
levensverzekeringsovereenkomsten aangaat. Dit kunnen zowel
lijfrenteverzekeringen,
kapitaalverzekeringen als pensioenverzekeringen zijn.
Levensverzekeringsovereenkomst
De in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering
met dien verstande dat de ongevallenverzekering niet als
levensverzekering wordt beschouwd (artikel 7:975 Burgerlijk
wetboek). De prestatie van de levensverzekeraar geschiedt alleen in
geld, of in natura-uitvaartverzekering zoals bedoeld in bovenstaand
artikel.
Zie ook: wet op het financieel toezicht.
Lifecycle
Leeftijdsafhankelijk beleggen. Komt veelal voor bij premieovereenkomsten. De deelnemers worden onderverdeeld in verschillende leeftijdscategorieën waar risicoprofielen voor zijn bepaald. Vaak betekent dit dat deelnemers met een lage leeftijd relatief veel risico wordt toebedeeld in de vorm van bijvoorbeeld een hoge allocatie naar aandelen. Achterliggende gedachte is dat deze deelnemers een langere horizon hebben tot pensioenleeftijd. Binnen deze horizon is er meer tijd om eventueel slechte rendementen te compenseren.
Een lifecycle wordt veelal mede aangeboden uit oogpunt van het prudent beleggen en in geval van een premieovereenkomst met beleggingsvrijheid als nadere invulling van de zorgplicht.
Lijfrente
Aanspraak op een reeks vaste (of met een vast percentage stijgende)
en gelijkmatige periodieke uitkeringen, die uiterlijk bij overlijden
eindigt. De aanspraak is afhankelijk van het leven van één of
meerdere personen en hoeft nog niet te zijn ingegaan. Een lijfrente
kan niet worden afgekocht of vervreemd en kan niet als voorwerp van
zekerheid dienen. Onder een lijfrente wordt onder meer de aanspraak
verstaan op winstuitkeringen voor zover die uitkeringen verband
houden met een lijfrente. Deze fiscale definitie van lijfrente is
opgenomen in artikel 45, zesde lid, Wet op de inkomstenbelasting. De premie voor een lijfrenteverzekering is onder voorwaarden
aftrekbaar tot bepaalde maxima. Het moet dan gaan om een van de
volgende twee lijfrenten:
- Een zuivere lijfrente: dit is een direct ingaande of uitgestelde
lijfrente, waarvan vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst zowel
de hoogte van de termijnen als het verzekerde lijf vaststaat
- Een gerichte lijfrente: dit is een uitgestelde lijfrente op het
leven van één of meer vooraf aangewezen verzekerden, waarvan de
hoogte van de termijnen bij het afsluiten van de overeenkomst nog
niet vaststaat, maar bij ingang van de termijnen wordt bepaald aan
de hand van het opgebouwd lijfrentekapitaal. Het lijfrentekapitaal
fungeert slechts als rekeneenheid en mag niet in contanten worden
uitgekeerd
Alleen de premies van bepaalde soorten (zuivere of gerichte)
lijfrenten zijn aftrekbaar (zie artikel 45, eerste lid, Wet op de
inkomstenbelasting).
Lineaire methode
Een methode voor de vaststelling van een reservering op de balans
van een onderneming voor een individuele pensioentoezeggingen aan
een of meer
directeuren-grootaandeelhouders.
Bij deze methode wordt bepaald welk vermogen nodig is om op de pensioendatum
aan toekomstige pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. De
opbouw van dit doelvermogen vindt evenredig met het
verstrijken van de diensttijd plaats, zonder rekening te houden met
renten en overlijdenskansen. Omdat deze methode niet berust op actuariële
grondslagen, is het gebruik van deze methode sinds 1 januari 1995 niet meer toegestaan.
Liquidatieoverschot
De reserve die overblijft bij liquidatie van een pensioenfonds,
waartegenover geen enkele pensioenverplichting meer staat.
Long duration
investments (LDI)
Beleggingen in vastrentende waarden (vaak fondsen) met een relatief lange looptijd, met als doel het renterisico van de verplichtingen af te dekken.
Zie: matching.
Loongerelateerde WGA-uitkering
Een uitkering voor werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt
zijn. De hoogte van de uitkering bedraagt bij niet werken 70% van het dagloon (tot het maximum dagloon). Bij werken bedraagt de uitkering 70% van het verschil tussen het (gemaximeerde) dagloon en het met werken verdiende loon.
Er geldt een bodemuitkering ter hoogte van de WGA-vervolguitkering.
De duur van de loongerelateerde uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden (conform WW) en varieert van een half jaar tot vijf jaar. Echter, in de periode tot
1 januari 2008 zal de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering worden gerelateerd aan de leeftijd van betrokkene. Na afloop van de
loongerelateerde WGA-uitkering kan de betrokkene recht krijgen op een
WGA-loonaanvulling of een
WGA-vervolguitkering.
Loontrend
Algemene ontwikkeling van de lonen van werknemers binnen een bepaalde
onderneming, bedrijfstak of land, zonder rekening te houden met
individuele loonsverhogingen als gevolg van de carrière van de
werknemers binnen de gekozen groep.
Zie ook: welvaartsvast pensioen
Naar boven
|