|
Rating
De rating van een belegging of een onderneming geeft een beoordeling
weer van het krediet risico van een bepaalde belegging. De rating
wordt vastgesteld door gespecialiseerde bureaus die, afhankelijk van
de kredietwaardigheid van een onderneming, een AAA, AA, A, BBB etc.
geven. Vastrentende
waarden kunnen als hoogste rating AAA krijgen. De
investeringsgrens wordt vaak gelegd bij een minimale rating van BBB.
Reele rente
Nominale rente minus inflatie.
Regelen
verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet
Deze Regelen moeten waarborgen dat de positie van werknemers, waarvan de
pensioenregeling niet bij een pensioenfonds, maar
rechtstreeks bij een levensverzekeringsmaatschappij is ondergebracht,
niet beter of slechter is dan de positie van werknemers van wie de
pensioenregeling door een pensioenfonds wordt uitgevoerd.
De Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet (Regelen
PSW) is een krachtens artikel 2 lid 4 van de Pensioen- en
spaarfondsenwet (PSW) uitgevaardigde beschikking. In hoofdstuk II van de Regelen PSW zijn bepalingen met betrekking tot B-polissen
opgenomen. Hoofdstuk III van de Regelen PSW betreft bepalingen met
betrekking tot C-polissen.
U vindt de tekst van de Regelen verzekeringsovereenkomsten
Pensioen- en spaarfondsenwet en de aanverwante regelgeving op onze
website:
www.pensioenregelgeving.nl.
Met de volledige inwerkingtreding van de Pensioenwet per 1
januari 2008 zijn alle bepalingen van de PSW komen te vervallen.
Voor de rechtstreeks verzekerde regelingen treden een aantal
bepalingen van de Pensioenwet per 1 januari 2009 pas in werking. De
Regelen PSW zal per deze datum volledig vervallen.
Regeling taakafbakening pensioenfondsen
Zie: taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars.
Rekenrente
Fictief rendementspercentage dat het belegde pensioenvermogen wordt geacht
op te brengen in de toekomst. Bij de berekening van contante
waarden van toekomstige betalingen wordt van dit
rendementspercentage uitgegaan.
Zie ook: marktrente.
Rendement
Het positieve of negatieve resultaat dat een pensioenfonds,
vermogensbeheerder of verzekeringsmaatschappij behaalt met de
belegging van daartoe beschikbare middelen.
Rentedekkingsstelsel
Financieringsvorm waarmee deelnemers aan de pensioenregeling in elk jaar
premies
betalen, die samen gelijk zijn aan de contante waarde van
de pensioenen die in dat jaar beginnen. Deze dekkingsvorm leidt
ertoe dat alleen kapitaal wordt gevormd op het moment van ingang van
een pensioen. Vóór dat moment is er dus geen enkele dekking voor
pensioenaanspraken uit reeds verstreken dienstjaren. Het
rentedekkingstelsel mag daarom op grond van de Pensioenwet niet worden toegepast voor dekking van pensioenovereenkomsten.
Zie ook: kapitaaldekkingsstelsel en
omslagstelsel.
Rente(stand)korting
Zie: overrentedeling.
Rentetermijnstructuur
De rentetermijnstructuur, of yield curve,
is een grafiek die het verband weergeeft tussen de looptijd van een
vastrentende belegging enerzijds en de daarop te ontvangen
marktrente anderzijds. Een normale rentetermijnstructuur heeft een
stijgend verloop. Als iemand zijn geld voor een langere periode
uitleent, eist hij normaliter een hogere vergoeding dan bij een
lening over een korte termijn.
Zie ook: yield curve
Reserveoverdracht
Zie: waardeoverdracht.
Reservetekort
De Nederlandsche Bank spreekt van een reservetekort als de middelen ontoereikend
zijn om naast de voorziening pensioenverplichtingen en de reserve voor algemene risico’s,
ook nog de vereiste reserve beleggingsrisico’s, de reserve voorgenomen pensioenaanpassing en
eventuele andere reserves te dekken.
Reserveringsruimte
Lijfrentepremieaftrek in enig kalenderjaar in de situatie dat de belastingplichtige in de
zeven voorafgaande kalenderjaren geen of niet geheel gebruik heeft gemaakt van de jaarruimte.
De reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste
17% van de premiegrondslag met een maximum van € 6.590 (cijfer
2008). Indien de belastingplichtige aan het begin van het
kalenderjaar 55 jaar of ouder is, geldt een maximum van € 13.016
(cijfer 2008).
Restbegunstiging
Een slotbegunstiging van hetzij werkgever hetzij de erven. Slechts
in uitzonderlijke gevallen wordt restbegunstiging aan de erven
toegestaan.
RL 271
Richtlijn 271 “Personeelsbeloningen” (onderdeel van de Nederlandse Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving); dit
is de Nederlandse implementatie van IAS 19
welke betrekking heeft op de wijze waarop de financiële
consequenties van de pensioenregeling in de jaarverslaglegging van
de onderneming tot uitdrukking dienen te worden gebracht.
Richtlijn 271 geldt echter voor alle ondernemingen – dus niet alleen
voor beursgenoteerde ondernemingen - die op grond van de Nederlandse
wet een jaarrekening opstellen.
Voor kleine ondernemingen is een aparte richtlijn in het leven
geroepen. Deze is in december 2004 voor het eerst door de Raad voor de
Jaarverslaglegging gepubliceerd. Voor het begrip ‘klein’ zijn de
criteria aangehouden van artikel 2:396 BW.
Rijping
Men spreekt van een gerijpt fonds, als de verhouding tussen enerzijds
actieve deelnemers en anderzijds niet-actieve deelnemers (premievrije
deelnemers, reeds gepensioneerden en mensen aan wie een partnerpensioen
wordt uitgekeerd) vrij constant blijft.
Risico budgettering
Risico budgettering is het vaststellen van de wijze waarop het vastgestelde risico budget zo efficiënt mogelijk over de verschillende beleggingscategorieën en vermogensbeheer kan worden verdeeld.
Risicoherverzekering
Het herverzekeren door een pensioenfonds van bepaalde risico's
die dat pensioenfonds niet zelf op een verantwoorde wijze kan dekken.
Hierbij gaat het vooral om risico’s die betrekking hebben op
overlijden en arbeidsongeschiktheid.
Zie ook: herverzekering.
Risicokapitaal
Een term die veelal gebruikt wordt bij pensioenfondsen die al dan
niet zelfstandig risico dragen.
Het risicokapitaal is gelijk aan het bedrag waarmee de aanwezige
voorziening pensioenverplichtingen eventueel moet toenemen wanneer
een verzekerde plotseling overlijdt. De som van de aanwezige
voorziening en het risicokapitaal is gelijk aan de
contante
waarde van het ingaande partnerpensioen.
Risicopremie
- Premie voor een risicodekking.
- Theoretische vrijval van de voorziening als gevolg van
overlijden. Immers, er wordt rekening gehouden met een
overlijdenskans bij het reserveren van aanspraken, waardoor er
theoretisch jaarlijks iets vrijvalt (door overlijden). De
risicopremie wordt gebruikt bij de analyse van het technische resultaat. Wordt ook verstaan onder risicopremie: premie die
benodigd is om het risicokapitaal bij een herverzekeraar onder te
brengen.
- In de financiële economie wordt onder deze term de beloning
voor aanhouden van een risicovolle belegging ten opzichte van de
risicovrije rente verstaan.
Ruilvoet
De verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in
te kopen pensioen.
Naar boven
|