|
Waardeoverdracht
Het overdragen van de contante waarde van pensioenaanspraken om
pensioenverlies
te voorkomen wanneer een werknemer van pensioenregeling wisselt.
Pensioenaanspraken worden daartoe afgekocht door de instelling die
de pensioenregeling van de oude werkgever uitvoert, en het
afkoopbedrag wordt vervolgens rechtstreeks overgedragen aan de
instelling die de pensioenregeling van de nieuwe werkgever uitvoert.
De werknemer koopt daarmee bij die instelling pensioenaanspraken in.
Zie ook: afkoop, circuits voor waardeoverdrachten
Waarde stijl (value style)
Beleggingsstijl waarbij met name in aandelen wordt belegd van
bedrijven die als relatief goedkoop kunnen worden gekwalificeerd.
Zie ook: groei stijl.
Waardevast pensioen
Pensioenaanspraken zijn waardevast indien zij na ingang of premievrijmaking jaarlijks
worden verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee een bepaalde
prijsindex in een bepaalde periode is gestegen of gedaald. Veelal
worden dalingen niet direct doorgevoerd, maar 'op de lat geschreven'
tot het tijdstip waarop latere stijgingen deze dalingen hebben
gecompenseerd.
NB. Pensioenaanspraken worden welvaartsvast door koppeling aan
een loonindex.
Zie: ook inflatie.
Wachttijd
Periode waarin een werknemer moet wachten om te kunnen deelnemen aan de
pensioenregeling van zijn werkgever. Vaak worden na afloop van de
wachttijd met terugwerkende kracht pensioenaanspraken toegekend, als
ware de betrokkene reeds bij aanvang van de wachttijd deelnemer
geweest. Op 22 november 2002 is een wetsvoorstel in werking getreden
welke uitvoering gaf aan de Europese Richtlijn 1999/70/EG. Per deze
datum is in het Burgerlijk Wetboek opgenomen dat een werkgever geen
onderscheid mag maken in de arbeidsvoorwaarden van werknemers
vanwege het tijdelijke karakter van hun dienstverband, tenzij
daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond valt aan te voeren.
Het hanteren van een wachttijd staat op gespannen voet met deze
wetgeving. Desondanks geeft ook de Pensioenwet de mogelijkheid voor
het hanteren van een wachttijd. Deze mag maximaal twee maanden zijn.
Indien de Veegwet wordt aangenomen in de Eerste Kamer, wordt deze
periode uitgebreid tot maximaal zes maanden als er sprake is van een
uitzendovereenkomst zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek.
WAO
Afkorting van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De WAO is een werknemersverzekering die voorziet in uitkeringen
aan werknemers die – na de periode van de
loondoorbetalingsverplichting nog geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zijn. De hoogte van de uitkering is afhankelijk
van de hoogte van het door de werknemer genoten (dag)loon, de
leeftijd en de mate van arbeidsongeschiktheid.
De opzet van de WAO en aanverwante wet- en regelgeving is op 1
januari 2006 ingrijpend gewijzigd. Voor degenen die op 1 januari
2006 reeds een WAO-uitkering ontvingen blijft WAO evenwel bestaan.
Zie ook: WIA.
WAO-gat
Verschil tussen de WAO-uitkering die kon worden verkregen uit hoofde
van de tot 25 januari 1994 geldende WAO (max 70% van het WAO-dagloon) en
de vervolguitkering uit hoofde van de nadien geldende WAO.
WAO-hiaat
Zie: WAO-gat.
Weduwenpensioen
Vorm van partnerensioen, dat –doorgaans levenslang–
wordt uitgekeerd aan de weduwe van een deelnemer aan een
pensioenregeling.
Weduwnaarspensioen
Vorm van partnerensioen, dat –doorgaans levenslang– wordt
uitgekeerd aan de weduwnaar van een deelnemer aan een
pensioenregeling.
Weerstandsvermogen
Sinds het boekjaar 1997 zijn pensioenfondsen verplicht om te
beschikken over een voldoende grote buffer om mogelijke
waardedalingen van de in het fonds aanwezige middelen op te vangen.
Deze buffer wordt het weerstandsvermogen genoemd. Middels een toereikendheidstoets
kan jaarlijks worden vastgesteld of het weerstandsvermogen groot
genoeg is.
Welvaartsvast pensioen
Pensioenaanspraken zijn welvaartsvast indien zij na ingang of premievrijmaking
jaarlijks worden verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee een
bepaalde loonindex in een bepaalde periode is gestegen of gedaald.
Veelal worden dalingen niet direct doorgevoerd, maar ‘op de lat
geschreven' tot het tijdstip waarop latere stijgingen deze dalingen
hebben gecompenseerd.
Pensioenaanspraken worden waardevast door koppeling aan een
prijsindexy.
Zie ook: inflatie.
Werknemersverzekering
Sociale verzekering die geldt voor alle werknemers in Nederland. Voorbeelden
van werknemersverzekeringen zijn de WAO /
WIA en
de Werkloosheidswet.
Wet aanpassing fiscale behandeling vut/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet
VPL)
Deze wet beoogt de arbeidsparticipatie door ouderen te bevorderen door de fiscale begunstiging van pensioensoorten gericht op een leeftijd voor de 65-jarige
leeftijd te ontnemen.
Concreet betekent dit dat de fiscale begunstiging van VUT, prepensioen, overbruggingspensioen en ouderdomspensioen gericht op een leeftijd voor 65 jaar met ingang van 1 januari 2006 is afgeschaft. Op 31 december 2004 bestaande regelingen kunnen nog wel na 1 januari 2006 met fiscale begunstiging worden uitgevoerd voor degenen die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren.
Ook gold nog aanvullend overgangsrecht gedurende het jaar 2006. Daarnaast wordt in deze wet de levensloopregeling geïntroduceerd.
Zie ook: spaarvut, prepensioen en
overbruggingspensioen.
Wet
betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000 (Wet Bpf 2000)
Deze wet bevat een wettelijk kader waarbinnen de deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds
verplicht kan worden gesteld. De Wet Bpf 2000 heeft op 21 december
2000 de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
vervangen.
Wet
verplichte beroepspensioenregeling (wet BPR)
Deze wet schetst een wettelijk kader waarbinnen de deelneming aan
een beroepspensioenfonds
verplicht kan worden gesteld. Met ingang van 1 januari 2006 is de
Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
vervangen door de Wet verplichte beroepspensioenregeling. De
verplichtstelling blijft met de nieuwe wet gehandhaafd, maar er
worden wel scherpere voorwaarden aan gesteld. Er moet voldoende
draagvlak en solidariteit binnen de beroepsgenoten bestaan om de
verplichtstelling in stand te kunnen houden.
Verder wordt in de nieuwe wet geregeld dat voor
beroepspensioenregelingen een zogeheten doorsneepremie moet worden
gehanteerd. Ook zullen de regels voor waardeoverdracht zoals die
gelden op grond van de
Pensioenwet ook gaan gelden bij beroepspensioenregelingen.
Tot slot komt er ook voor beroepspensioenen een verbod op medische
toelatingskeuringen.
Er is bewust gekozen voor een separate wet naast de
Pensioen- en
spaarfondsenwet. De nieuwe Wet verplichte
beroepspensioenregeling zal dan ook in principe ongewijzigd in stand blijven bij de invoering van de
Pensioenwet. Alleen op detailniveau zijn kleine aanpassingen nodig aan de
Pensioenwet.
Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht (Wft) is op 1 januari 2007 inwerking getreden. Deze wet regelt het toezicht op de financiële sector in Nederland. De wet vervangt acht toezichtwetten. Deze wetten zijn:
- Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
- Wet financiële dienstverlening;
- Wet toezicht kredietwezen 1992;
- Wet melding zeggenschap;
- Wet toezicht beleggingsinstellingen;
- Wet toezicht effectenverkeer 1995;
- Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf; en
- Wet van 6 december 1999, houdende bepalingen ter vrijwaring van kredietinstellingen en andere financiële instellingen tegen aansprakelijkheid in verband met maatregelen die samenhangen met sluiting van betalings- en effectenafwikkelingssystemen op
31 december 1999 (Stb. 598).
Wet
fiscale behandeling van pensioenen
Deze wet vormt de uitwerking van de voorstellen van de werkgroep
‘Fiscale behandeling van pensioenen’. De wet is per 1
juni 1999 in werking getreden en kende een overgangsregeling tot 1
juni 2004.
Wet op de medische keuringen
Op grond van deze wet, die ook wel wordt aangeduid als de Wet Van
Boxtel, zijn pensioenkeuringen per 1 januari 1998
verboden. Bij individuele pensioenregelingen voor directeuren-grootaandeelhouders,
bij wijziging van een eerder gemaakte keuze na gebruikmaking van een
individuele keuzemogelijkheid in de collectieve regeling en
bij lijfrenten geldt het keuringsverbod niet. Klik hier
voor de tekst van de wet.
Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993
Deze wet voorziet in toezicht door
de Nederlandsche Bank op schade- en levensverzekeraars, met het doel om de belangen te
beschermen van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of
uitkeringsgerechtigden bij verzekeringsovereenkomsten betrokken zijn
of zullen worden. Ook voorziet de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
1993 in bepalingen die er
voor zorgen dat pensioenfondsen zich niet begeven op het
gebied van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf (zie artikel
13, vierde lid, Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993). Deze wet is
opgenomen in de Wet op het financieel toezicht.
Wet Van Boxtel
Zie: Wet op de medische keuringen.
Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding
Deze wet regelt dat de helft van het (tijdelijk) ouderdomspensioen
dat tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap is
opgebouwd, wordt verdeeld (verevend) over degene die de rechten op
pensioen heeft opgebouwd, en de ex-partner. Partners kunnen onder
voorwaarden een andere verdeling overeenkomen. De vereveningsgerechtigde
(de ex-partner) krijgt hierdoor een rechtstreekse vordering op
de pensioenuitvoerder van de vereveningsplichtige (de
opbouwer van het pensioen). De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995
in werking getreden. De Wet VPS heeft als doel de regeling van de
pensioenverdeling volgens het Boon/Van Loon-arrest te
vervangen door een wettelijke regeling. De wet is van toepassing
op scheidingen die hebben plaatsgevonden op of na 1 mei 1995,
of –onder bepaalde voorwaarden– vóór 27 november 1981 (de
datum van het Boon/Van
Loon-arrest). Klik hier
voor de tekst van de wet.
Wezenpensioen
Nabestaandenpensioen
dat na het overlijden van een deelnemer aan een
pensioenregeling –tot het bereiken van een bepaalde leeftijd–
wordt uitgekeerd aan de kinderen van de betrokken deelnemer.
WGA
Afkorting van ‘Regeling werkhervatting gedeeltelijk
arbeidsgeschikten’.
De WGA is bedoeld voor werknemers die deels arbeidsgeschikt worden
verklaard met een loonverlies tussen de 35 en 80%. Ook werknemers
die volledig arbeidsongeschikt zijn (loonverlies van meer dan 80%)
maar die waarschijnlijk voldoende zullen herstellen, vallen onder de
WGA. De WGA-uitkering bestaat uit een
loongerelateerde WGA-uitkering gevolgd door een
WGA-loonaanvulling of een
WGA-vervolguitkering.
WGA-HIAAT
Werknemers die de resterende verdiencapaciteit voor minder dan 50% benutten, krijgen te maken met de lage WGA vervolguitkering. Dit is een arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet gebaseerd is op het verdiende dagloon (rekening houdende met het maximale dagloon), maar op het wettelijke minimumloon. Het WGA-hiaat bestaat uit het verschil tussen het dagloon en het minimumloon vermenigvuldigd met het vastgestelde uitkeringspercentage.
Door middel van reparatiewetgeving is dit hiaat komen te vervallen. De WGA-hiaten die nog bestaan zijn:
Het verschil tussen de WAO- en de WGA-uitkering;
De terugval van een loongerelateerde naar een vervolguitkering; en
Het hiaat indien het arbeidsongeschiktheidspercentage lager dan 35 is.
WGA-loonaanvulling
Een uitkering voor werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Na afloop van de
loongerelateerde WGA-uitkering kunnen werknemers aanspraak maken op een loonaanvulling mits minimaal 50% van de resterende verdiencapaciteits wordt benut (voldoende werken).
Als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen verdient dat gelijk is aan zijn resterende verdiencapaciteit, is de hoogte van zijn loonaanvulling gelijk aan 70% van het verschil tussen het dagloon (tot aan het maximum dagloon) en het met werken verdiende inkomen.
Indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen verdient van
50%-100% van zijn resterende verdiencapaciteit dan bedraagt de
hoogte van de loonaanvulling 70% van het verschil tussen het dagloon
(tot aan het maximum dagloon) en de resterende verdiencapaciteit. De hoogte van de WGA-loonaanvulling kan nooit lager
zijn dan de WGA-vervolguitkering.
WGA-vervolguitkering
Een uitkering voor werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering kunnen de werknemers aanspraak maken op een vervolguitkering indien minder dan 50% van de resterende verdiencapaciteit wordt benut (onvoldoende werken).
De hoogte van de uitkering bedraagt een percentage van het wettelijk minimumloon, of – als dit lager is dan het wettelijk minimumloon – een percentage van het dagloon.
WIA
Afkorting van ‘Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen’.
Het uitgangspunt van de WIA is activering van arbeidsongeschiktheid, maar biedt tevens een inkomensbescherming bij arbeidsongeschiktheid. De wet bestaat uit twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).
Wiskundige reserve
Zie: Voorziening Pensioenverplichtingen
Wortelformule
Formule waarmee in het
financieel toetsingskader volgens een standaardmodel de vereiste
dekkingsgraad voor de
onvoorwaardelijke pensioenaanspraken wordt bepaald. De wortelformule
kwantificeert een aantal risicofactoren, zoals het renterisico en
valutarisico, in een benodigde opslag of buffer.
Pensioenfondsen mogen in plaats van het standaardmodel ook een
intern model gebruiken voor het bepalen van de benodigde buffers. De
wortelformule wordt dan niet gebruikt.
|