|
|
ideeën en onderzoekPensioenregelgeving |
| Home > Europe Home > Nederland Home > Ideeën en onderzoek > Pensioenregelgeving > Wet Bpf 2000 |
Ideeën en onderzoek
|
Beleidsregels toetsingskader Wet Bpf 2000, volledig herziene versie[ Printversie ] De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt bekend, gehoord hebbende de Stichting van de Arbeid (20 maart 2006, kenmerk S.A.06.02622/K) en De Nederlandsche Bank N.V. (verder: DNB, 28 februari 2006, kenmerk Tb/2006/00405/JGCKok), de beleidsregels bij aanvragen, wijziging of intrekking van verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (verder ook ‘verplichtstelling’) op grond van de wet houdende een nieuwe regeling betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (verder: Wet Bpf 2000) volledig te herzien. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 augustus 2006. Hiermee vervalt de bekendmaking van het Toetsingskader Wet Bpf 2000 van 24 augustus 2001, Stcrt. 165. Het Toetsingkader Wet Bpf 2000 is bij de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 ter vervanging van de oude Wet Bpf ingevoerd. Sociale partners, belanghebbenden en derden krijgen inzicht in de criteria waaraan aanvragen in het kader van de verplichtstelling worden getoetst en in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wet Bpf 2000. Met het Toetsingkader Wet Bpf 2000 wordt aangesloten bij het in 1998 tot stand gekomen Toetsingkader Algemeen Verbindend Verklaring van CAO-bepalingen (Toetsingkader AVV, Stcrt. 1998, nr. 240). Omdat de duur en betekenis van het besluit tot verplichtstelling (in beginsel voor onbepaalde tijd) een andere is dan bij een besluit tot algemeen verbindend verklaring (bepaalde tijd met een maximum van 5 jaar voor fondsencao’s), zijn de procedures niet helemaal gelijk. Daar waar mogelijk is echter in het Toetsingkader Wet Bpf 2000 aansluiting gezocht bij het Toetsingkader AVV. Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie Ook wordt de te volgen procedure bij de periodieke representativiteitstoets verder verduidelijkt. Deze toets heeft voor de eerste keer sinds de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 per 1 januari 2006 plaatsgevonden. Nieuw is verder de invoering van termijnen die gehanteerd zullen worden in de procedures in het kader van de verplichtstelling. Bedoeling hiervan is te voorkomen dat procedures onevenredig en onnodig lang duren. Gedurende die periode bestaat er immers onzekerheid voor alle betrokkenen bij de verplichtstelling. Met de termijnen, die opgenomen worden in de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, zal de periode van onzekerheid beperkt worden. In het Toetsingkader Wet Bpf 2000 worden deze termijnen verder ingevuld met een aantal streeftermijnen waarbinnen verzoekende partijen, DNB en SZW zullen handelen. Tot slot zijn in de afgelopen vier jaar een aantal onduidelijkheden in het oorspronkelijk Toetsingkader Wet Bpf 2000 geconstateerd. Deze worden in deze herziene versie opgehelderd. 1. Doel van verplichtstelling 2. Reikwijdte van de verplichtstelling Statutaire werkingssfeer Omschrijving van de werkingssfeer van de verplichtstelling De beoordeling van de representativiteit van de sociale partners die een aanvraag in het kader van de Wet Bpf 2000 indienen is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling. Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, benoemen sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd. Een aanvraag voor verplichtstelling kan zich richten op één of meerdere bedrijfstakken binnen een bpf of op een deel van een bedrijfstak. Dit moet uit de omschreven werkingssfeer blijken. De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. Sociale partners kunnen aangeven hoe wordt omgegaan met ondernemingen die slechts voor een deel de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen. Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfstakken of ook ondernemingspensioenfondsen kunnen namen van bedrijven worden opgenomen, bijvoorbeeld om te bepalen of een bedrijf in verband met een variëteit aan bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer valt. Enkel een opsomming van namen van bedrijven ter omschrijving van de werkingssfeer voldoet niet aan de eisen. Gedachte achter een verplichtstelling is dat deelname verplicht is voor een bepaalde bedrijfstak. Nieuwkomers in de bedrijfstak moeten ‘automatisch’ onder de werkingssfeer vallen en bedrijven die bedrijfsactiviteiten gaan verrichten in een andere bedrijfstak moeten ‘automatisch’ buiten de werkingssfeer vallen, zonder dat de verplichtstelling gewijzigd hoeft te worden. Dit is bij een werkingssfeer op basis van een opsomming van namen van bedrijven niet mogelijk. Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat moet worden aangegeven van welke datum de wet, besluit of regeling is waarnaar verwezen wordt en waar die is terug te vinden. Een verwijzing naar een CAO is niet mogelijk. Indien eenzelfde werkingssfeer als een bepaalde CAO gewenst wordt, zal in plaats van een verwijzing de werkingssfeer van die CAO uitgeschreven moeten worden in de werkingssfeer van de verplichtstelling. Deelnemer Overlapping van werkingssferen
Wanneer tegelijkertijd twee aanvragen om een verplichtstelling of een wijziging van een verplichtstelling zijn ingediend waarbij sprake is van een overlapping in de werkingssfeer van de betreffende bpf-en, dan worden beide aanvragen aangehouden. In het geval van overlapping van werkingssfeer zullen de bij die bpf-en betrokken sociale partners zelf een oplossing moeten vinden. De werkingssfeer wordt immers vastgesteld door sociale partners. De Minister van SZW heeft met de omschrijving van de werkingssfeer geen bemoeienis. Een besluit tot verplichtstelling kan pas genomen worden, wanneer de werkingssferen door sociale partners van betrokken bpf-en zijn afgebakend. Het moet uit het oogpunt van rechtszekerheid duidelijk zijn in welk bpf de ongeorganiseerde verplicht is deel te nemen. 3. Representativiteit a. Bij aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000 Uitgangspunten Reden hiervoor is dat een besluit in het kader van de verplichtstelling grote gevolgen heeft voor een bedrijfstak, in beginsel voor onbepaalde tijd. Voldoende draagvlak binnen de bedrijfstak voor zo’n besluit is daarom van belang. Mede vanwege de grote betekenis van zo’n besluit voor een bedrijfstak, moet het bij een aanvraag om verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000 gaan om een gezamenlijke aanvraag van werkgevers en werknemers, ‘het georganiseerde bedrijfsleven in de bedrijfstak’. Bij de beoordeling van de representativiteit wordt daarom zowel gekeken naar de werkgevers- als naar de werknemerspartijen. Dit is anders dan bij een verzoek om AVV. Dat kan op basis van de wet worden ingediend door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen van werkgevers of werknemers. De representativiteit in het kader van de Wet Bpf 2000 wordt beoordeeld ten aanzien van de werkingssfeer waarvoor verplichtstelling, wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking wordt gevraagd (zie daarover paragraaf 4). In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf zal per bedrijfstak de representativiteit beoordeeld worden. Sociale partners hebben bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde categorieën werknemers of bedrijven van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van het bpf en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit. Op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000, is het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (Stb. 633) tot stand gekomen. Op grond daarvan is het op bepaalde gronden mogelijk door het bpf te worden vrijgesteld van verplichte deelname. De vrijgestelden blijven echter onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen en worden daarom wel meegenomen in de beoordeling van de representativiteit. Beoordeling van de representativiteit aan werkgeverszijde Er zal ook worden gekeken of de werkgeversorganisaties statutair bevoegd zijn voor de betreffende bedrijfstak arbeidsvoorwaarden af te spreken. Beoordeling van de representativiteit aan werknemerszijde Indien echter tegen de representativiteit van werknemersorganisaties zienswijzen worden ingediend zal, conform de toetsing zoals die voorheen door de SER geschiedde, door de Stichting van de Arbeid gekeken worden naar de organisatiegraad bij betrokken werknemersorganisaties in relatie tot de organisatiegraad bij de overige werknemersorganisaties die in de bedrijfstak actief zijn. Vereiste van ‘een belangrijke meerderheid’
De beoordeling van de tweede en derde categorie is maatwerk en hangt af van de omstandigheden in het betreffende geval. Eisen aan de representativiteitsgegevens
Indien er ook personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak binnen de verplichtstelling vallen, zullen ook die aantallen vermeld moeten worden. De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn. Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij verzoeken om AVV, een nadere toelichting gegeven moeten worden op de manier waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. De toelichting bevat in ieder geval:
Wanneer het bij de aanvraag slechts om een deel van de werkingssfeer gaat of om één van de bedrijfstakken in het geval van een bpf met meerdere bedrijfstakken, dan dient de opgave van de aantallen werknemers en werkgevers (op grond waarvan de representativiteit wordt vastgesteld) betrekking te hebben op de werkingssfeer van het deel van de bedrijfstak of de bedrijfstak waarop de aanvraag zich richt. Er zal in situaties waarin sprake is van een meerderheid van minder dan 60% of in geval van zienswijzen tegen de representativiteit aan partijen betrokken bij de aanvraag worden verzocht om een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave van de verstrekte aantallen werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers en van de aantallen werknemers werkzaam in de bedrijfstak, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen zoals opgenomen in de representativiteitsopgave. Indien de werkingssfeer van het bpf zich ook uitstrekt over personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak, dient deze opgave apart melding te maken van de aantallen van deze specifieke groep, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen zoals die moet worden meegezonden met de hierboven genoemde toelichting. Deze eisen aan de opgave van representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de regeling aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000. Rol Stichting van de Arbeid b. De periodieke representativiteitstoets Nieuw in de Wet Bpf 2000 is de invoering van de periodieke representativiteitstoets. Ten minste een maal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat (eerste keer per 1 januari 2006). Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling – een belangrijke meerderheid van het bedrijfsleven in de bedrijfstak ondersteunt de verplichtstelling – gewaarborgd wordt. De periodieke toets betreft de meting van de representativiteit op dezelfde manier, met dezelfde criteria en (vorm)vereisten, als in paragraaf 3a beschreven. In de brief waarin de Minister verzoekt aan te tonen dat nog steeds sprake is van een belangrijke meerderheid zullen de criteria en vormeisen worden vermeld en zal daartoe een checklist worden meegezonden. Belangrijke meerderheid in de periodieke representativiteitstoets
Belangrijke meerderheid in het geval van een herhalingstoets van de representativiteit
Intrekking wegens het ontbreken van een belangrijke meerderheid Termijn Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw getoetst worden. In het geval dat bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets op representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal de procedure zoals hierna beschreven in paragraaf 4f worden gevolgd. In verband met de mogelijkheid dat meerdere afgebakende bedrijfstakken onderdeel uitmaken van één bpf, zal de vijfjaarstermijn voor de diverse bedrijfstakken afzonderlijk worden vastgesteld. De uitgangspunten voor het vaststellen van de aanwezigheid van een belangrijke meerderheid zijn hier dezelfde als in het geval van aanvraag, wijziging en intrekking van een verplichtstelling. Vijfjaarstoets Uit de Wet Bpf 2000 blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de representativiteit niet vrijblijvend is. Het niet voldoen aan de termijn leidt immers tot plaatsing in de Staatscourant en tot een herhalingstoets. In het verzoek van de Minister van SZW wordt aangegeven op welke wijze de representativiteit moet worden aangetoond. Als hulpmiddel zal daartoe een checklist worden meegestuurd waarin een opsomming wordt gegeven van de eisen die aan de gegevens gesteld worden (zie hiervoor: eisen aan de representativiteitsgegevens in paragraaf 3a). Indien de representativiteit minder dan 60% bedraagt, zal worden verzocht om een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave van de verstrekte aantallen werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers en van de aantallen werknemers werkzaam in de bedrijfstak, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen. In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf moet periodiek per bedrijfstak de representativiteit worden aangetoond. Daarbij kan een verschillend moment voor de verschillende delen van het bpf aan de orde zijn. Dit is afhankelijk van tussentijdse wijzigingen in de werkingssfeer. Indien die slechts een deel van de werkingssfeer betroffen, is alleen voor dat deel de representativiteit aangetoond en een nieuwe periode van vijf jaar gestart. In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf mag de representativiteit van al die bedrijfstakken tegelijkertijd worden aangetoond op het eerste moment waarop voor een deel van het bpf het verzoek van de Minister in het kader van de vijfjaarstoets wordt ontvangen. Voor alle bedrijfstakken begint dan gelijktijdig een nieuwe periode van vijf jaar te lopen. Resultaat vijfjaarstoets Herhalingstoets Wanneer in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets echter is aangetoond dat wel voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, begint vanaf dat moment een nieuwe vijfjaarstermijn te lopen en komt de herhalingstoets te vervallen. Het tussentijds aantonen van een belangrijke meerderheid kan spontaan door de betrokken partijen gebeuren, maar ook in het kader van een wijziging van de verplichtstelling in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets. Betrokkenen zullen over het voldoen aan het aantonen van de belangrijke meerderheid door de Minister worden geïnformeerd. Resultaat herhalingstoets Het niet voldoen aan de periodieke toets in het geval van meerdere bedrijfstakken, zal leiden tot intrekking van het deel van de verplichtstelling waarvoor niet langer een voldoende representatief georganiseerd bedrijfsleven aanwezig is. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan stelt de Minister van SZW per brief betrokkenen hiervan op de hoogte. Indien partijen binnen 8 weken na het verzoek niet aantonen te voldoen aan het vereiste van representativiteit, dan meldt de Minister van SZW in de Staatscourant dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid en stelt per brief betrokkenen hiervan op de hoogte. 4. De procedures in het kader van de Wet Bpf 2000 Termijnen Aanleiding voor de invoering van termijnen is de vaak zeer lange doorlooptijd in procedures van verplichtstelling. Deze wordt mede veroorzaakt door het ontbreken van termijnen, bijvoorbeeld voor het geven van een reactie op ingebrachte zienswijzen. Gedurende de looptijd van de procedure bestaat er onzekerheid voor alle betrokkenen bij de verplichtstelling. Met de termijnen, zoals die nu zijn opgenomen, kan een onevenredig lange periode van onzekerheid voorkomen worden. De Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 bepaalt dat de Minister van SZW zo spoedig mogelijk op de aanvraag van verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan beslist, doch uiterlijk binnen 26 weken na de mededeling in de Staatscourant van een aanvraag in het kader van de verplichtstelling. Als in verband met het nemen van een besluit informatie of advies is gevraagd aan een persoon of instantie, bijvoorbeeld de Stichting van de Arbeid of De Nederlandsche Bank N.V., dan kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een periode van maximaal 13 weken. De Minister informeert verzoekende partijen over deze verlenging. Door deze termijnen duurt de procedure in elk geval niet langer dan een jaar, gemeten vanaf het moment van in behandeling name. Tevens bepaalt de Regeling dat wanneer verzoekende partijen niet binnen 6 weken reageren op een verzoek van de minister of DNB (die na de Wet van 13 oktober 2004 houdende bepalingen in verband met de fusie tussen De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer, Stb. 2004, 556, de taken van de Pensioen- & Verzekeringskamer heeft overgenomen) om aanvullende informatie, bijvoorbeeld in het geval van zienswijzen, de aanvraag van verplichtstelling, wijziging of intrekking ervan niet verder in behandeling wordt genomen. In afwijking van de termijn voor aanvullende informatiegeldt voor een verzoek van DNB om statuten en reglementen te wijzigen een termijn van 8 weken. Deze termijn is langer, omdat wijziging van statuten en reglementen via een bestuursbesluit moeten worden goedgekeurd en statuten moeten worden verleden door een notaris. Van het niet verder in behandeling nemen wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Binnen deze termijn van 26 respectievelijk 39 dan wel maximaal 52 weken
worden door de betrokkenen de volgende termijnen nagestreefd:
Termijn van 6 maanden in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
a. Eerste aanvraag van verplichtstelling Indienen aanvraag Een aanvraag om verplichtstelling moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW). In het tweede lid van artikel 2, Wet Bpf 2000, wordt vermeld welke stukken moeten worden ingediend bij een aanvraag om verplichtstelling. Op basis van artikel 2, vierde lid, Wet Bpf 2000 zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, Stcrt. 2000, 251). Een aanvraag om verplichtstelling wordt pas in behandeling genomen als de aanvraag volledig is. De datum van in behandeling name blijkt uit de datum waarop de aanvraag in de Staatscourant wordt geplaatst en de termijn van tervisielegging start. Indien stukken ontbreken, zal de directie UAW hierover reclameren bij de indiener(s) van de aanvraag. Maar ook in het geval van onduidelijkheden in de werkingssfeer voor de verplichtstelling, een onvoldoende onderbouwde aanvraag of bij een representativiteit onder de 50% zal dedirectie UAW hierover reclameren bij de indiener(s) van de aanvraag. Representativiteit Bij een eerste aanvraag van verplichtstelling wordt de representativiteit berekend over de gehele werkingssfeer van het bpf waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. Het is mogelijk dat partijen aangeven dat een bpf meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat. In zo’n situatie zal de beoordeling van de representativiteit plaatsvinden per afzonderlijke bedrijfstak en daarmee ook voor het geheel. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken een belangrijke meerderheid de verplichtstelling wenst. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een verplichtstelling kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak. In het geval van een representativiteit onder de 60% zal worden verzocht om een accountantsverklaring (zie hierover paragraaf 3a). Zienswijzen Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn derden/belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen tegen de aanvraag (artikel 16, tweede lid, Wet Bpf 2000). De termijn van tervisielegging bedraagt in beginsel vier weken. Gedurende de termijn van vier weken liggen de op de aanvraag van verplichtstelling betrekking hebbende stukken ter visie. Overschrijding van de vier weken termijn voor het indienen van zienswijzen is niet mogelijk, tenzij de directie UAW daartoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. Dit uitstel kan bovendien alleen worden verleend wanneer tenminste de hoofdpunten van de zienswijzen tijdens de periode van tervisielegging schriftelijk zijn ingebracht en deugdelijk gemotiveerd is waarom om uitstel wordt verzocht. Zienswijzen die zijn ingediend vóór de datum van bekendmaking in de Staatscourant, worden niet in behandeling genomen. Na het verstrijken van de termijn van tervisielegging worden de ingediende zienswijzen voor commentaar voorgelegd aan de bij de aanvraag om verplichtstelling betrokken partijen. Partijen moeten binnen 6 weken reageren. Na de ontvangst van de reactie van betrokken partijen kan de zienswijzenprocedure worden voortgezet. De zienswijzen, de reactie van de bij de aanvraag om verplichtstelling betrokken partijen en het voorgenomen besluit van de Minister of eventueel specifieke vragen van de Minister worden aan de Stichting van de Arbeid voorgelegd met een verzoek om een reactie. Hiervan wordt afgezien als de zienswijzen een herhaling zijn van eerder ingebrachte zienswijzen waarover al besloten is of de zienswijzen kunnen worden aangemerkt als volstrekt kansloos. Van een volstrekt kansloze zienswijze is bijvoorbeeld sprake in het geval dat de zienswijze zich richt tegen de representativiteit, terwijl deze inmiddels op basis van een accountantsverklaring is weerlegd. Over deze herhaalde en volstrekt kansloze zienswijzen zal de Stichting van de Arbeid worden geïnformeerd. De Stichting van de Arbeid wordt in ieder geval om een reactie gevraagd bij zienswijzen tegen de representativiteit en bij (vermeende) overlap van werkingssferen van bedrijfstakpensioenfondsen. In dit laatste geval zal de Stichting van de Arbeid bekijken of tussenkomst wenselijk is. Overleg met DNB Tevens zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd. De actuariële en bedrijfstechnische nota, die hiervoor als informatie dient, moet op basis van artikel 9c van de Pensioen- en spaarfondsenwet aan DNB gezonden worden. Besluit Een besluit tot verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.Het besluit wordt met redenen omkleed wanneer tegen de aanvraag zienswijzen zijn ingebracht. De aanvragers van de verplichtstelling en de eventuele indieners van zienswijzen, en DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. In het geval van zienswijzen zal de motivering voor het besluit (de overwegingen ten aanzien van de zienswijzen) worden meegezonden. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. b. Wijziging van de verplichtstelling Indienen aanvraag tot wijziging Een wijziging van de verplichtstelling heeft betrekking op een aanpassing van de werkingssfeer, niet zijnde een inkrimping in de zin dat een bepaalde bedrijfstak of een afgebakend deel van de bedrijfstak uit de werkingssfeer wordt gehaald. Dan is namelijk sprake van intrekking van een deel van de verplichtstelling (zie hierover paragraaf 4c). Een wijziging van de verplichtstelling kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn bij een naamswijziging. Bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling moeten debescheiden genoemd in artikel 2, tweede lid, Wet Bpf 2000, met uitzondering van de oprichtingsakte en een gewaarmerkt exemplaar van de reglementen worden meegezonden. Op basis van artikel 2, vierde lid, Wet Bpf 2000, zijn nadere regels gesteld waaraan de aanvraag om een wijziging van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Op grond van artikel 9, Wet Bpf 2000, moeten de met de wijziging van de verplichtstelling samenhangende statuten- of reglementswijzigingen aan DNB worden gezonden. Wanneer de aanvraag om wijziging van de verplichtstelling volledig is, wordt de procedure wat betreft de bekendmaking in de Staatscourant en zienswijzenprocedure voortgezet zoals bij een aanvraag om verplichtstelling (zie paragraaf 4a). Representativiteit
Wanneer sprake is van een eigen arbeidsvoorwaardenregeling, dient dit door verzoekende sociale partners te worden aangetoond via het toezenden van een getekend exemplaar van die arbeidsvoorwaardenregeling. Wanneer aan deze twee voorwaarden is voldaan, is het mogelijk om bij wijziging van de verplichtstelling waarbij een bedrijfstak wordt toegevoegd, of waarbij ten aanzien van een bepaalde bedrijfstak iets wijzigt, de representativiteit van de verzoekende werkgevers- en werknemersorganisaties te beoordelen wat betreft de werkingssfeer van die ene bedrijfstak. Overleg met DNB Wanneer de wijziging van de verplichtstelling alleen een naamswijziging betreft of een andere wijziging die geen inhoudelijke verandering in zich houdt, zal het overleg met DNB achterwege blijven. Besluit tot wijziging De aanvragers om wijziging van de verplichtstelling en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. In het geval van zienswijzen zal de motivering voor het besluit (de overwegingen ten aanzien van de zienswijzen) worden meegezonden. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. c. Intrekking van de verplichtstelling op aanvraag van partijen Indienen intrekkingaanvraag Bij een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling zijn op basis van artikel 11, zevende lid, Wet Bpf 2000, nadere regels gesteld waaraan de aanvraag van een intrekking van de verplichtstelling moet voldoen (Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Ook een aanvraag om intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen een intrekkingaanvraag kunnen zienswijzen worden ingebracht. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag om verplichtstelling. Representativiteit In het geval van intrekking van de verplichtstelling van een bpf dat meerdere afgebakende bedrijfstakken omvat, zal de beoordeling van de representativiteit plaatsvinden per afzonderlijke bedrijfstak en daarmee ook voor het geheel. Het is immers van belang te waarborgen dat binnen alle bij het bpf aangesloten bedrijfstakken voldoende draagvlak voor de intrekking van de verplichtstelling aanwezig is. Het moet niet zo kunnen zijn dat twee grote bedrijfstakken een intrekking van de verplichtstelling kunnen opleggen aan een derde, kleine bedrijfstak. Overleg met DNB Besluit tot intrekking De aanvragers om intrekking en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. In het geval van zienswijzen zal de motivering voor het besluit (de overwegingen ten aanzien van de zienswijzen) worden meegezonden. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. d. Intrekking van een deel van de verplichtstelling op aanvraag van partijen Aanvraag intrekking deel van verplichtstelling Een deel van de verplichtstelling
Ook een aanvraag om gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en tegen zo’n intrekkingaanvraag kunnen zienswijzen worden ingebracht. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag om verplichtstelling. Representativiteit Maar ook andere organisaties of een deel van de bij de verplichtstelling van het bpf betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen een gedeeltelijke intrekking aanvragen. Voor iedere aanvrager gelden echter dezelfde eisen:
In het geval van een aanvraag tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling betreffende één van de bedrijfstakken in het bpf of voor een afgebakend deel binnen een bedrijfstak zal worden gekeken of sprake is van voldoende representativiteit bij de verzoekende partijen voor dat deel waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt verzocht. Draagvlak binnen de gehele werkingssfeer van het bpf is bij een gedeeltelijke intrekking niet vereist. Gedachte hierachter is dat wanneer een representatieve vertegenwoordiging van een bedrijfstak of een afgebakend deel van de bedrijfstak niet langer een verplichtstelling wil, intrekking voor dat deel mogelijk moet zijn. De wens van sociale partners is immers de basis voor een verplichtstelling. De Minister van SZW zal in een geval van gedeeltelijke intrekking echter ook de bij het verplichtgestelde bpf achterblijvende partijen betrekken in het proces. Zij zullen worden geïnformeerd over de aanvraag om gedeeltelijke intrekking, opdat zij hun opvatting hierover aan de Minister kenbaar kunnen maken. Dit is ook in het belang van de partijen die een aanvraag om gedeeltelijke intrekking indienen. Immers, het deel van de bedrijfstak of, in het geval van meerdere bedrijfstakken binnen het bpf, de bedrijfstak waarvoor intrekking van de verplichtstelling wordt gevraagd, maakt onderdeel uit van dat bpf. Een vertrek bij het bpf nadat het besluit tot intrekking van de verplichtstelling is genomen heeft consequenties voor zowel de vertrekkende partij als voor ’de achterblijvers’. De vertrekkende partij zal mogelijk overgaan tot het oprichten van een eigen bpf. Dan moet met de achterblijvende partijen in het bpf overeenstemming worden bereikt over de financiële afwikkeling. De vertrekkende partij heeft er belang bij dat die overeenstemming er komt, omdat het anders erg moeilijk zal zijn een eigen fonds op te richten. Bovendien bestaat ook bij een aanvraag om intrekking van een deel van de verplichtstelling de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Indien de achterblijvende partijen hiervan gebruik maken, kan dat eveneens een obstakel zijn in de totstandkoming van het uiteindelijke besluit. Overleg met DNB DNB zal zich in het bijzonder ook buigen over de consequenties van de gedeeltelijke intrekking voor de financiële positie van het verplichtgestelde bpf en zijn deelnemers. Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot gedeeltelijke intrekking. Daarbij kan de opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking als informatie dienen. Besluit tot gedeeltelijke intrekking De aanvragers om gedeeltelijke intrekking en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. In het geval van zienswijzen zal de motivering voor het besluit (de overwegingen ten aanzien van de zienswijzen) worden meegezonden. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. e. Ambtshalve intrekking van de verplichtstelling Voornemen tot ambtshalve intrekking Deze bevoegdheid zal naar verwachting niet snel gebruikt worden, omdat het een ingrijpende bevoegdheid is. De Minister van SZW kan in het uiterste geval waarin een bpf weigert de situatie binnen het fonds te wijzigen en bijvoorbeeld vasthoudt aan een regeling die niet de instemming heeft van DNB of op andere wijze onbehoorlijk handelt, overgaan tot ambtshalve intrekking. Ook in het geval dat niet langer is aangetoond dat sprake is van representatieve sociale partners in de bedrijfstak waarbinnen deelname aan een bpf is verplichtgesteld, kan deze bevoegdheid uitkomst bieden. De Minister van SZW kan dan overgaan tot ambtshalve intrekking, eventueel na een verzoek daartoe van belanghebbenden, bijvoorbeeld niet-representatieve partijen in die bedrijfstak of het bestuur van het bpf dat verplichtgesteld is. De niet-representatieve partijen kunnen namelijk geen gebruik maken van het zelf met succes indienen van een aanvraag om intrekking op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet Bpf 2000, omdat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde van representativiteit. Door de mogelijkheid van ambtshalve intrekking, kan worden voorkomen dat een verplichtstelling wordt gehandhaafd tot het moment van de herhalingstoets waarin zal worden vastgesteld dat er niet langer sprake is van een representatieve vertegenwoordiging. Een voornemen tot ambtshalve intrekking wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Ook tegen zo’n voornemen kunnen zienswijzen worden ingebracht. De zienswijzenprocedure verloopt conform de procedure bij een aanvraag om verplichtstelling. Overleg met DNB Besluit tot ambtshalve intrekking Op grond van artikel 11, vierde lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften verbinden aan een besluit tot intrekking. De partijen die betrokken zijn bij het bpf waarvan de verplichtstelling wordt ingetrokken en de eventuele indieners van zienswijzen, evenals DNB worden schriftelijk geïnformeerd over het genomen besluit. In het geval van zienswijzen zal de motivering voor het besluit (de overwegingen ten aanzien van de zienswijzen) worden meegezonden. De Stichting van de Arbeid wordt schriftelijk geïnformeerd in het geval dat in de procedure sprake was van zienswijzen of onduidelijkheden over de representativiteit. f. Intrekking van de verplichtstelling op grond van onvoldoende representativiteit In de Wet Bpf 2000 is ten aanzien van de representativiteit een nieuw element geïntroduceerd, de periodieke toets (zie hierover ook paragraaf 3b). Na iedere periode van vijf jaar moeten sociale partners aantonen dat er nog steeds voldoende draagvlak is voor de verplichtstelling. Is er op dat moment geen sprake van een voldoende belangrijke meerderheid, dan krijgen zij nog twee jaar tijd om aan de representativiteitseis te voldoen. Na die twee jaar vindt een herhalingstoets plaats. Indien ook dan wordt vastgesteld dat de representativiteit van partijen onvoldoende is, zal de Minister van SZW overgaan tot intrekking van de verplichtstelling. In het geval van een voorgenomen intrekking op grond van onvoldoende representativiteit zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het bpf en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling. De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 12, zesde lid, Wet Bpf 2000, gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB. Op basis van artikel 12, zevende lid, Wet Bpf 2000, kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers. De opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking kan hierbij als informatie dienen. g. Ontheffing Op basis van artikel 15 van de Wet Bpf 2000 kan ontheffing van verplichtstelling worden gevraagd aan de Minister van SZW. Een dergelijke aanvraag moet schriftelijk bij de Minister van SZW worden ingediend en wordt namens deze behandeld door de directie UAW. Zo’n aanvraag kan worden gedaan door of voor een individuele persoon, die slechts gedurende een beperkte periode in Nederland werkzaam is. De wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten ter uitvoering van richtlijn nr. 98/49/EG (Staatsblad 2001, 314) heeft geleid tot een aanpassing van artikel 15 van de Wet Bpf 2000. Artikel 15, eerste lid, Wet Bpf 2000, verwijst nu naar dat wat in artikel 32g van de Pensioenen spaarfondsenwet is bepaald. Hierdoor hoeft voor gedetacheerde werknemers van binnen de Europese Unie en van wie de detachering is begonnen op of na 25 juli 2001, niet langer ontheffing te worden aangevraagd indien de betaling van bijdragen in een andere lidstaat wordt voortgezet. Deze werknemers en hun werkgevers zijn op basis van artikel 32g, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van bijdragen aan het verplichtgestelde bpf in Nederland. Artikel 15 van de Wet Bpf 2000 heeft daarom alleen nog betekenis voor die gevallen waarop artikel 32g van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet van toepassing is, bijvoorbeeld bij detacheringen die begonnen zijn voor 25 juli 2001 en bij detacheringen van buiten de Europese Unie. In artikel 5 van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 is aangegeven waaraan zo’n aanvraag moet voldoen. h. Wijziging van statuten en reglementen (artikel 9, Wet Bpf 2000) Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een wijziging van statuten en reglementen die tevens een wijziging van het besluit tot verplichtstelling noodzakelijk maakt, en statuten- en reglementswijzigingen die geen invloed hebben op een besluit tot verplichtstelling. Sociale partners dienen dit bij iedere wijziging die zij overeenkomen in aanmerking te nemen, omdat de actie die zij moeten ondernemen in verband met de verplichtstelling daarvan afhankelijk is. In het geval de statuten- en reglementswijziging gevolgen heeft voor het besluit tot verplichtstelling, dient een van de procedures zoals hiervoor omschreven te worden gevolgd. Statuten- en reglementswijzigingen die niet leiden tot aanpassing van de verplichtstelling dienen door het verplichtgestelde bpf rechtstreeks aan DNB te worden gezonden (artikel 9, Wet Bpf 2000). DNB beoordeelt, zoals dat ook bij andere pensioenfondsen dan de verplichtgestelde bpfen gebeurt, of sprake is van strijd met wet- en regelgeving. Indien DNB strijdigheid constateert, meldt hij dit ter kennisname aan de Minister van SZW. Voordat een statuten- of reglementswijziging wordt vastgelegd kan het bpf bij twijfel over de juistheid ervan, contact opnemen met DNB om zo te voorkomen dat sprake is van een wijziging die leidt tot strijdigheid met wet- en regelgeving. Indien een bpf dit nalaat of de wijziging ondanks een negatieve beoordeling van DNB toch invoert, is in artikel 9, vierde lid, van de Wet Bpf 2000 opgenomen dat het bpf de kosten moet vergoeden aan degene die zijn vrijgesteld op basis van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. Afhankelijk van de vrijstellingsgrond moet een vrijgestelde namelijk de wijzigingen in statuten en reglementen van het bpf volgen. Wanneer die wijziging niet conform wet- en regelgeving blijkt te zijn en de vrijgestelde vanwege een nieuwe aanpassing van statuten en reglementen van het bpf ook zijn statuten en reglementen opnieuw moet aanpassen, moet het bpf de kosten die daarmee samenhangen, vergoeden. Het moment van inwerkingtreding van wijziging van statuten en reglementen wordt bepaald door het bestuur van het bpf. De M/inister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, | ![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Copyright© 2008 Watson Wyatt Worldwide. All rights reserved. Authorised and regulated by the financial services authority. |