 |
 |
Ideeën en onderzoek
|
Richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
[ Printversie ]
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 van 3 juni 2003
betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2,
artikel 55 en artikel 95, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie (1),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),
Overwegende hetgeen volgt:
| 1. |
Een echte interne markt voor financiële diensten is voor de economische groei en de
schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie van wezenlijk belang. |
| 2. |
Er zijn reeds belangrijke resultaten geboekt met betrekking tot de totstandbrenging van deze
interne markt, waardoor financiële instellingen in andere lidstaten kunnen opereren en de
consumenten van financiële diensten een hoog beschermingsniveau wordt geboden. |
| 3. |
De mededeling van de Commissie, getiteld „Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële
markten: een actieplan” somt een reeks maatregelen op die nodig zijn om de interne markt
voor financiële diensten te vervolmaken, en de Europese Raad heeft er tijdens zijn
bijeenkomst te Lissabon op 23 en 24 maart 2000 toe opgeroepen dit actieplan vóór 2005 uit te
voeren. |
| 4. |
Het actieplan voor financiële diensten beschouwt de opstelling van een richtlijn inzake het
bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als een
dringende prioriteit, omdat dit grote financiële instellingen zijn die ten aanzien van de
integratie, de efficiëntie en de liquiditeit van de financiële markten een centrale rol spelen,
maar niet onderworpen zijn aan een samenhangende communautaire wetgeving die hen in
staat stelt de voordelen van de interne markt ten volle te benutten. |
| 5. |
Aangezien de socialezekerheidsstelsels steeds meer onder druk komen te staan, zullen de
bedrijfspensioenvoorzieningen in de toekomst steeds meer als aanvulling moeten dienen.
Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen derhalve verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel
te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame
en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard
dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking
van het Europese sociale model. |
| 6. |
Deze richtlijn vormt aldus een eerste stap op de weg naar een op Europese schaal
georganiseerde interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening. Door de „prudent person”-
regel tot onderliggend beginsel te maken voor vermogensbelegging en door het voor
instellingen mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de
overheveling van spaargelden naar de sector bedrijfspensioenvoorziening gestimuleerd,
waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang. |
| 7. |
De in de richtlijn verankerde prudentiële regels zijn bedoeld om de toekomstige
gepensioneerden door middel van strenge toezichtsnormen een hoge mate van zekerheid te
bieden en tegelijkertijd een efficiënte uitvoeringvan de regelingen voor
bedrijfspensioenvoorzieningmogelijk te maken. |
| 8. |
Instellingen die volledig zijn gescheiden van bijdragende ondernemingen en die op basis van
kapitaaldekking opereren met als enig doel het verstrekken van pensioenuitkeringen, dienen
vrijelijk diensten en beleggingen te kunnen verrichten met als enige voorwaarde dat aan
gecoördineerde prudentiële vereisten wordt voldaan, ongeacht of deze instellingen als
rechtspersonen worden beschouwd. |
| 9. |
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te
blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol
van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede
pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van
de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een
bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht
wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld. |
| 10. |
De nationale voorschriften betreffende de deelname van zelfstandigen aan instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening lopen uiteen. In sommige lidstaten mogen instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening opereren op grond van overeenkomsten met een branche of met
bedrijfsorganisaties waarvan de aangeslotenen als zelfstandigen werkzaam zijn, dan wel op
grond van rechtstreeks met zelfstandigen en werknemers gesloten overeenkomsten. In
sommige lidstaten kan een zelfstandige zich ook aansluiten bij een instelling wanneer de
zelfstandige handelt als werkgever of zijn professionele diensten ten behoeve van een
onderneming verricht. In sommige lidstaten mogen zelfstandigen niet aan een instelling voor
bedrijfspensioenvoorziening deelnemen tenzij bepaalde voorwaarden, waaronder die welke
voortvloeien uit de sociale en de arbeidswetgeving, vervuld zijn. |
| 11. |
Instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren en die reeds op Gemeenschapsniveau
worden gecoördineerd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden
uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met het speciale geval van instellingen die
in één lidstaat zowel socialezekerheidsregelingen als bedrijfspensioenregelingen beheren. |
| 12. |
Financiële instellingen waarop reeds communautaire regelgeving van toepassing is, dienen in
de regel van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Daar deze
instellingen in sommige gevallen echter ook bedrijfspensioendiensten aanbieden, moet ervoor
worden gezorgd dat deze richtlijn niet tot mededingingsverstoringen leidt. Deze verstoringen
kunnen worden vermeden door de prudentiële vereisten van deze richtlijn ook op de
bedrijfspensioenactiviteiten van levensverzekeringsondernemingen toe te passen. De
Commissie moet zorgvuldig toezien op de situatie op de bedrijfspensioenmarkt en nagaan of
het mogelijk is de facultatieve toepassing van deze richtlijn uit te breiden tot andere financiële
instellingen waarop regelgeving van toepassing is. |
| 13. |
Bij het streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering dient ervoor
gezorgd te worden dat de uitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de
regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien. Tevens dient een qua tijdsduur
beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens mogelijk te zijn. |
| 14. |
Het is van belang ervoor te zorgen dat ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in
armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten. Een
passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk
aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een
pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers
overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking
van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, alsmede uitkeringen aan nabestaanden
die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn. |
| 15. |
De lidstaten toestaan om instellingen die regelingen met minder dan 100 deelnemers
uitvoeren van de werkingssfeer van de nationale uitvoeringsbepalingen uit te sluiten, kan het
toezicht in bepaalde lidstaten vergemakkelijken zonder de deugdelijke werking van de interne
markt op dit gebied te ondermijnen. Een en ander mag echter geen afbreuk doen aan het
recht van die instellingen om voor het beheer van hun beleggingsportefeuille en de bewaring
van hun activa, in een andere lidstaat gevestigde en naar behoren erkende
beleggingsbeheerders en -bewaarders te benoemen. |
| 16. |
Instellingen zoals de Unterstützungskassen in Duitsland, waarvan de deelnemers geen
wettelijke rechten op uitkeringen van een bepaald bedrag hebben en waarbij de belangen van
de deelnemers door een verplichte wettelijke verzekering tegen insolventie worden
beschermd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgezonderd. |
| 17. |
Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten beperken tot de activiteiten, en de daarmee
verband houdende werkzaamheden, die in deze richtlijn worden genoemd. |
| 18. |
In geval van faillissement van een bijdragende onderneming loopt de deelnemer het gevaar
zowel zijn werk als zijn verworven pensioenrechten te verliezen. Derhalve is een duidelijke
scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling noodzakelijk en dienen
minimale prudentiële normen te worden vastgesteld om de deelnemers te beschermen. |
| 19. |
De werking van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen in de
lidstaten aanzienlijk uiteen. In sommige lidstaten kan niet alleen op de instelling zelf toezicht
worden uitgeoefend, maar ook op de lichamen of ondernemingen die gemachtigd zijn deze
instellingen te beheren. De lidstaten moeten met een dergelijke specifieke omstandigheid
rekening kunnen houden zolang daadwerkelijk aan alle in deze richtlijn opgenomen vereisten
wordt voldaan. Daarnaast moeten de lidstaten verzekeringslichamen en andere financiële
lichamen kunnen toestaan om instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te beheren. |
| 20. |
Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een
grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit
dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun
werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan. |
| 21. |
Gezien het enorme aantal instellingen in bepaalde lidstaten moet een pragmatische oplossing
worden gevonden in verband met de voorafgaande vergunningverlening aan de instellingen.
Wanneer een instelling in een andere lidstaat een pensioenregeling wenst uit te voeren, moet
echter een voorafgaande vergunning, verleend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat
van herkomst, worden verlangd. |
| 22. |
Elke lidstaat eist dat een op hun grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een
jaarverslag opstelt rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling
en, indien van toepassing, een jaarverslag en een jaarrekening voor elke pensioenregeling.
De jaarrekening en het jaarverslag, waarin, rekening houdend met elke door de instelling
uitgevoerde pensioenregeling, een getrouw beeld van de activa, passiva en financiële positie
van de instelling wordt gegeven en die naar behoren door een bevoegde persoon zijn
goedgekeurd, vormen een essentiële bron van informatie voor de deelnemers aan en de
pensioengerechtigden van een pensioenregeling, alsmede voor de bevoegde autoriteiten. Zij
stellen met name de bevoegde autoriteiten in staat de financiële draagkracht van een
instelling te controleren en te beoordelen of de instelling aan al haar contractuele
verplichtingen kan voldoen. |
| 23. |
Deugdelijke informatie aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een
pensioenregeling is van wezenlijk belang. Dit geldt met name voor verzoeken om inlichtingen
over de financiële draagkracht van de instelling, de contractuele bepalingen, de uitkeringen en
de feitelijke financiering van opgebouwde pensioenrechten, het beleggingsbeleid en het risicoen
kostenbeheer. |
| 24. |
Het beleggingsbeleid van een instelling is voor zowel de veiligheid als de betaalbaarheid van
de bedrijfspensioenen doorslaggevend. De instellingen dienen derhalve een „verklaring inzake
de beleggingsbeginselen” op te stellen, die zij ten minste eens in de drie jaar herzien. Deze
verklaring dient aan de bevoegde autoriteiten en desgevraagd ook aan de deelnemers aan en
de pensioengerechtigden van de pensioenregeling ter beschikking te worden gesteld. |
| 25. |
Om hun wettelijke taak te kunnen vervullen dienen de bevoegde autoriteiten in toereikende
mate te beschikken over rechten op informatie en interventiebevoegdheden ten aanzien van
instellingen en de personen die deze instellingen daadwerkelijk besturen. Wanneer een
instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zeer belangrijke taken (zoals het
beleggingsbeheer, de informaticatechnologie of de boekhouding) aan andere ondernemingen
heeft uitbesteed (outsourcing), dienen de rechten op informatie en interventiebevoegdheden
tot die uitbestede taken te worden uitgebreid om na te gaan of deze activiteiten
overeenkomstig de toezichtregels worden uitgevoerd. |
| 26. |
Een prudente berekening van de technische voorzieningen is van wezenlijk belang om ervoor
te zorgen dat aan de uitkeringsverplichtingen kan worden voldaan. De technische
voorzieningen moeten derhalve worden berekend op basis van erkende actuariële methoden
en door gekwalificeerde personen worden gewaarmerkt. De maximale rentevoeten moeten
prudent worden gekozen overeenkomstig relevante nationale voorschriften. Het
minimumbedrag van de technische voorzieningen moet toereikend zijn om de uitbetaling van
de reeds verschuldigde uitkeringen aan pensioengerechtigden te kunnen voortzetten en de
verplichtingen weergeven die uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers
voortvloeien. |
| 27. |
De door de instellingen gedekte risico's lopen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. De lidstaten
van herkomst dienen derhalve de mogelijkheid te hebben de berekening van de technische
voorzieningen te onderwerpen aan aanvullende en uitvoeriger regels dan die welke in deze
richtlijn zijn vastgesteld. |
| 28. |
Toereikende en passende activa ter dekking van de technische voorzieningen beschermen de
belangen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling wanneer
de bijdragende onderneming insolvent wordt. Met name in gevallen van grensoverschrijdende
activiteiten vereist de wederzijdse erkenning van de toezichtbeginselen die in de lidstaten van
toepassing zijn, dat de technische voorzieningen te allen tijde volledig door kapitaal zijn
gedekt. |
| 29. |
Wanneer de instelling geen grensoverschrijdende activiteiten verricht, kunnen lidstaten een
ontoereikende dekking toestaan, mits een deugdelijk plan wordt opgesteld om tot volledige
kapitaaldekking te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad
van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten
inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever (4). |
| 30. |
Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het
biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten
waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de
verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van
de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten
vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende
instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als
levensverzekeringsondernemingen. |
| 31. |
Instellingen zijn beleggers op zeer lange termijn. De door deze instellingen aangehouden
activa mogen in de regel niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan ter verstrekking
van pensioenuitkeringen. Bovendien moeten de instellingen, om de rechten van deelnemers
en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, kunnen kiezen voor een allocatie van
activa die nauwkeurig strookt met de aard en de looptijd van hun verplichtingen. Deze
overwegingen maken een efficiënte controle en benadering van de beleggingsregels
noodzakelijk, die de instellingen voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste
beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent te handelen. Toepassing van de „prudent
person”-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de
deelnemersstructuur van de afzonderlijke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. |
| 32. |
De toezichtmethoden en -praktijken lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Daarom moet de
lidstaten een zekere vrijheid worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij
aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen. Deze voorschriften
mogen het vrije kapitaalverkeer evenwel niet belemmeren, tenzij dit om prudentiële redenen
gerechtvaardigd is. |
| 33. |
Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon en lage liquiditeitsrisico's, bevinden
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen
prudentiële grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in risicokapitaalmarkten te
beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren.
Beleggingen in aandelen, risicokapitaalmarkten en andere valuta's dan die waarin de
verplichtingen zijn uitgedrukt dienen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet te worden
beperkt. |
| 34. |
Indien de instelling evenwel grensoverschrijdende activiteiten verricht, kan zij door de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst worden verzocht om grenzen in acht te
nemen voor belegging in aandelen en soortgelijke activa die niet tot de handel op een
gereglementeerde markt zijn toegelaten, alsmede in aandelen en andere instrumenten die
door dezelfde onderneming worden uitgegeven of in activa in niet-congruente valuta's, mits
die voorschriften ook gelden voor in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen. |
| 35. |
Beperkingen ten aanzien van de vrije keuze door instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening van erkende vermogensbeheerders en -bewaarders belemmeren
de mededinging in de interne markt en moeten derhalve worden opgeheven. |
| 36. |
Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van
de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat
van collectieve arbeidsovereenkomsten, dienen instellingen de mogelijkheid te hebben hun
diensten in andere lidstaten te verrichten. Het dient hun te zijn toegestaan in andere lidstaten
gevestigde ondernemingen als bijdragende onderneming te aanvaarden en
pensioenregelingen met deelnemers in meer dan één lidstaat uit te voeren. Dit zou deze
instellingen aanzienlijke schaalvoordelen kunnen opleveren, het concurrentievermogen van
deze bedrijfstak in de Gemeenschap kunnen verbeteren en de arbeidsmobiliteit kunnen
vergroten. Hiervoor is een wederzijdse erkenning van prudentiële normen nodig. Op een
deugdelijke handhaving van deze prudentiële normen moet toezicht worden gehouden door
de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, tenzij anders is bepaald. |
| 37. |
Het recht van een instelling in een bepaalde lidstaat om een bedrijfspensioenregeling
overeengekomen in een andere lidstaat uit te voeren, moet worden uitgeoefend met volledige
inachtneming van de bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die in de lidstaat van
ontvangst van kracht zijn, voorzover deze voor bedrijfspensioenen relevant zijn, bijvoorbeeld
de definitie en de betaling van pensioenuitkeringen en de voorwaarden voor de
overdraagbaarheid van pensioenrechten. |
| 38. |
Wanneer een regeling wordt afgescheiden, gelden de bepalingen van deze richtlijn voor deze
regeling afzonderlijk. |
| 39. |
Het is belangrijk voorziening te treffen voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten
van de lidstaten in verband met toezichthoudende taken, en tussen deze autoriteiten en de
Commissie voor andere doeleinden. Voor hun taakuitvoering en om een bijdrage te leveren
aan de consequente en tijdige uitvoering van deze richtlijn moeten de bevoegde autoriteiten
elkaar de noodzakelijke informatie verschaffen ter toepassing van de richtlijn. De Commissie
heeft aangegeven voornemens te zijn een Comité van toezichthouders in te stellen ter
aanmoediging van de samenwerking, coördinatie en uitwisseling van standpunten tussen de
nationale autoriteiten en ter bevordering van een consequente uitvoering van deze richtlijn. |
| 40. |
Daar de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk het scheppen van een
gemeenschappelijk juridisch kader dat de instellingen voor bedrijfspensioenenvoorziening
bestrijkt, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens
de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden
verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag
neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde
artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om
deze doelstellingen te verwezenlijken, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp
Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake de toegang tot en de uitoefening van
werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
Artikel 2 Toepassingsgebied
| 1. |
Deze richtlijn is van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Wanneer
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig de nationale wetgeving geen
rechtspersoonlijkheid hebben, passen de lidstaten deze richtlijn toe op deze instellingen of,
onverminderd lid 2, op de vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het
beheer van deze instellingen en in hun naam handelen. |
| 2. |
Deze richtlijn is niet van toepassing op: |
| |
a. |
instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren welke onder Verordening (EEG)
nr. 1408/71 (5) en Verordening (EEG) nr. 574/72 (6) van de Raad vallen; |
| |
b. |
instellingen die onder Richtlijn 73/239/EEG (7), Richtlijn 85/ 611/EEG (8), Richtlijn
93/22/EEG (9), Richtlijn 2000/12/ EG (10) en Richtlijn 2002/83/EG (11) vallen; |
| |
c. |
instellingen die op basis van een omslagstelsel werken; |
| |
d. |
instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen juridisch
afdwingbare rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende
onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te
voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen; |
| |
e. |
ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers
pensioenuitkeringen te betalen. |
Artikel 3 Toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen uitvoeren
Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die tevens verplichte arbeidsgerelateerde
pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, vallende
onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72, vallen met betrekking tot hun
werkzaamheden op het gebied van de niet-verplichte bedrijfspensioenvoorziening onder deze richtlijn.
In dat geval worden de passiva en de overeenkomstige activa afgescheiden en kunnen ze niet worden
overgedragen aan verplichte pensioenregelingen welke worden beschouwd als
socialezekerheidsregelingen, of omgekeerd.
Artikel 4 Facultatieve toepassing op onder Richtlijn 2002/83/EG vallende instellingen
De lidstaten van herkomst kunnen ervoor kiezen de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 16 en 18
tot en met 20 van deze richtlijn toe te passen op de werkzaamheden inzake
bedrijfspensioenvoorzieningen van onder Richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen.
In dat geval worden alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en passiva afgescheiden en
gescheiden van de overige werkzaamheden van de verzekeringsondernemingen beheerd en
georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat. In dat geval zijn
verzekeringsondernemingen, uitsluitend wat betreft hun
bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden, niet onderworpen aan de artikelen 20 tot en met 26, 31
en 36 van Richtlijn 2002/83/EG.
De lidstaat van herkomst waarborgt dat ofwel de bevoegde autoriteiten, ofwel de met het toezicht op
de onder Richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen belaste autoriteiten in het kader
van hun toezicht de strikte scheiding van de betrokken bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden
controleren.
Artikel 5 Kleine pensioeninstellingen en wettelijke regelingen
Met uitzondering van artikel 19 kunnen de lidstaten ervoor kiezen deze richtlijn geheel of gedeeltelijk
niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren
die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen. Onverminderd artikel 2, lid 2, moet dergelijke
instellingen niettemin het recht worden verleend deze richtlijn vrijwillig toe te passen. Artikel 20 kan
alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.
De lidstaten kunnen ervoor kiezen de artikelen 9 tot en met 17 niet toe te passen op instellingen
waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie
wordt gegarandeerd. Artikel 20 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze
richtlijn van toepassing zijn.
Artikel 6 Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
| a. |
„instelling voor bedrijfspensioenvoorziening” of „instelling”: een op basis van kapitalisatie
gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende
onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde
pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract: |
| |
- |
individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun
respectieve vertegenwoordigers, of |
| |
- |
met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de
lidstaat van ontvangst, en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht; |
| b. |
pensioenregeling”: een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is
bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden; |
| c. |
bijdragende onderneming”: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer
natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige dan wel
een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een instelling voor
bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt; |
| d. |
pensioenuitkeringen”: uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting
bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen
en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden,
arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van
ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. Om
voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen hebben deze uitkeringen gewoonlijk de
vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua
tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens; |
| e. |
deelnemer”: persoon die op grond van hun beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn
pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling; |
| f. |
pensioengerechtigde”: persoon die pensioenuitkeringen ontvangt; |
| g. |
bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die zijn aangewezen om de in deze richtlijn
vastgestelde taken te verrichten; |
| h. |
biometrische risico's”: risico's in verband met overlijden en/ of arbeidsongeschiktheid en
levensverwachting; |
| i. |
lidstaat van herkomst”: lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel en haar hoofdbestuur
heeft, of, indien de instelling geen statutaire zetel heeft, waar zij haar hoofdbestuur heeft; |
| j. |
lidstaat van ontvangst”: lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende
sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende
onderneming en de deelnemers. |
Artikel 7 Werkzaamheden van de instellingen
Iedere lidstaat legt de op zijn grondgebied gevestigde instellingen de verplichting op hun
werkzaamheden te beperken tot activiteiten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden
die daarmee verband houden. Wanneer een verzekeringsonderneming haar werkzaamheden inzake
bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig artikel 4 door afscheiding van de activa en passiva
beheert, worden die afgescheiden activa en passiva uitsluitend aangewend voor verrichtingen inzake
pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daar rechtstreeks verband mee houden.
Artikel 8 Juridische scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening
Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat er een juridische scheiding bestaat tussen de bijdragende
onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, zodat in geval van faillissement van
de bijdragende onderneming de activa van de instelling in het belang van de deelnemers en de
pensioengerechtigden beschermd zijn.
Artikel 9 Voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden
| 1. |
Met betrekking tot alle op hun grondgebied
gevestigde instellingen zorgt iedere lidstaat ervoor dat: |
| |
a. |
de instelling door de bevoegde
toezichthoudende instantie in een nationaal register is ingeschreven of over
een vergunning beschikt; bij grensoverschrijdende activiteiten in de zin van
artikel 20 worden daarbij ook de lidstaten waar de instelling werkzaam is,
vermeld; |
| |
b. |
de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd
door personen van goede reputatie die zelf over voldoende
beroepskwalificaties en beroepservaring beschikken of adviseurs in dienst
hebben met toepasselijke beroepskwalificaties en beroepservaring; |
| |
c. |
er naar behoren vastgestelde regels bestaan
betreffende de werking van iedere door de instelling uitgevoerde
pensioenregeling en dat de deelnemers naar behoren van die regels in kennis
zijn gesteld; |
| |
d. |
alle technische voorzieningen door een
actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een
accountant, zijn berekend en gewaarmerkt overeenkomstig de nationale
wetgeving, op basis van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst erkende actuariële methoden; |
| |
e. |
de bijdragende onderneming bij regelingen
waarin zij garant staat voor de betaling van de pensioenuitkeringen, tot
regelmatige financiële bijdragen verplicht is; |
| |
f. |
de deelnemers voldoende over de voorwaarden
van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over: |
| |
|
i. |
de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de
pensioenregeling; |
| |
|
ii. |
de financiële, technische en andere aan de
pensioenregeling verbonden risico's; |
| |
|
iii. |
de aard en spreiding van die risico's. |
| 2. |
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel
en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de
socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat de
facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van
arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van
terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden
aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve
vertegenwoordigers, zulks overeenkomen. |
| 3. |
Een lidstaat kan aan de voorwaarden van
bedrijfsvoering van een op zijn grondgebied gevestigde instelling andere
eisen stellen om ervoor te zorgen dat de belangen van de deelnemers en de
pensioengerechtigden adequaat worden beschermd. |
| 4. |
Een lidstaat kan op zijn grondgebied
gevestigde instellingen toestaan of van hen verlangen dat zij de uitvoering
van deze instellingen geheel of ten dele toevertrouwen aan andere lichamen
die handelen in naam van die instellingen. |
| 5. |
Bij grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 worden de voorwaarden van
bedrijfsvoering van de instelling onderworpen aan de voorafgaande verlening van een
vergunning door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. |
Artikel 10 Jaarrekening en jaarverslag
Iedere lidstaat eist dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een
jaarverslag opstelt waarin iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, alsmede, indien van
toepassing, een jaarrekening en een jaarverslag voor iedere pensioenregeling, worden opgenomen.
De jaarrekeningen en jaarverslagen geven een getrouw beeld van de activa, de passiva en de
financiële positie van de instelling. De jaarrekeningen en de informatie in de jaarverslagen zijn
consistent, alomvattend en correct gepresenteerd en ze worden naar behoren goedgekeurd door
overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegde personen.
Artikel 11 Aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen
| 1. |
Afhankelijk van de aard van de
pensioenregeling draagt iedere lidstaat er zorg voor dat iedere op zijn
grondgebied gevestigde instelling ten minste de in de leden 2, 3 en 4
bedoelde inlichtingen verstrekt. |
| 2. |
Deelnemers en pensioengerechtigden, en/of,
indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ontvangen: |
| |
a. |
op verzoek de jaarrekeningen en de jaarverslagen als
bedoeld in artikel 10; en indien een instelling verantwoordelijk is voor
meer dan één regeling, ontvangen zij de jaarverslagen en de jaarrekeningen
voor hun specifieke pensioenregeling; |
| |
b. |
binnen een redelijke termijn alle relevante informatie
over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling. |
| 3. |
De in artikel 12 bedoelde verklaring inzake
de beleggingsbeginselen wordt op verzoek aan de deelnemers en
pensioengerechtigden, en/of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers,
ter beschikking gesteld. |
| 4. |
Iedere deelnemer ontvangt tevens op verzoek
duidelijke en wezenlijke gegevens over: |
| |
a. |
indien van toepassing, het richtniveau van de
pensioenuitkeringen; |
| |
b. |
het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging
van de dienstbetrekking; |
| |
c. |
wanneer de deelnemer het beleggingsrisico draagt, alle
beschikbare beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing, en de feitelijke
beleggingsportefeuille, evenals gegevens over de risicopositie en de kosten
in verband met de beleggingen; |
| |
d. |
de modaliteiten voor de overdracht van aanspraken op een
andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeval van beëindiging
van de dienstbetrekking. De deelnemers ontvangen jaarlijks beknopte
informatie over de situatie van de instelling en over het actuele
financieringsniveau van hun totale individuele aanspraken. |
| 5. |
Iedere pensioengerechtigde ontvangt bij zijn
pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, de nodige
informatie over de uitkeringen waarop hij of zij aanspraak kan maken en over
de wijze van uitbetaling. |
Artikel 12 Verklaring inzake de beleggingsbeginselen
Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat iedere op hun grondgebied gevestigde instelling een
schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt en deze ten minste om de drie jaar herziet.
Deze verklaring moet onverwijld worden herzien na een belangrijke wijziging van het
beleggingsbeleid. De lidstaten zien erop toe dat deze verklaring ten minste onderwerpen omvat als de
toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische
allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen.
Artikel 13 Aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken inlichtingen
Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot iedere op hun
grondgebied gevestigde instelling over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om:
| a. |
de instelling, de leden van de raad van
bestuur en andere met het beheer of de leiding of de controle op de
instelling belaste personen te verplichten inlichtingen te verstrekken over
alle zakelijke aangelegenheden of alle bedrijfsdocumenten over te leggen; |
| b. |
toezicht te houden op de betrekkingen tussen
de instelling en andere ondernemingen of tussen instellingen waarbij
activiteiten aan deze ondernemingen of instellingen worden uitbesteed (outsourcing),
waarbij de financiële positie van de instelling wordt beïnvloed of die op
concrete wijze van belang zijn voor de uitoefening van een doeltreffend
toezicht; |
| c. |
periodiek de verklaring inzake de
beleggingsbeginselen, de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede alle
documenten te verkrijgen die voor de uitoefening van toezicht noodzakelijk
zijn. Daartoe kunnen behoren: |
| |
i. |
interne tussentijdse verslagen; |
| |
ii. |
actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen; |
| |
iii. |
activa-passiva-studies; |
| |
iv. |
bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de
beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd; |
| |
v. |
bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen volgens plan zijn betaald; |
| |
vi. |
rapport van de in artikel 10 bedoelde personen die met
de controle van de jaarrekening zijn belast; |
| d. |
verificaties uit te voeren in de
bedrijfsruimten van de instelling en, waar nodig, onderzoek naar uitbestede
activiteiten in te stellen om na te gaan of deze overeenkomstig de
toezichtregels worden verricht. |
Artikel 14 Interventiebevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten
| 1. |
De bevoegde autoriteiten eisen dat er in
iedere op hun grondgebied gevestigde instelling goede administratieve en
boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen bestaan. |
| 2. |
De bevoegde autoriteiten hebben de
bevoegdheid om met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde
instelling of jegens de personen die deze instelling besturen alle
maatregelen te nemen, waaronder, waar passend, maatregelen van
bestuursrechtelijke en geldelijke aard, die geschikt en noodzakelijk zijn om
eventuele onregelmatigheden die de belangen van de deelnemers en de
pensioengerechtigden kunnen schaden, te voorkomen of ongedaan te maken. Zij
kunnen tevens de vrije beschikking over de activa van de instelling beperken
of verbieden, met name wanneer de instelling: |
| |
a. |
geen toereikende technische voorzieningen heeft gevormd
met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, dan wel onvoldoende
activa heeft om de technische voorzieningen te dekken; |
| |
b. |
er niet in is geslaagd het voorgeschreven eigen vermogen
in stand te houden. |
| 3. |
De bevoegde autoriteiten kunnen, teneinde de
belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een regeling
te beschermen, de bevoegdheden waarover de personen die een op haar
grondgebied gevestigde instelling besturen, overeenkomstig de wetgeving van
de lidstaat van herkomst beschikken, geheel of gedeeltelijk overdragen aan
een bijzondere vertegenwoordiger die geschikt is om deze bevoegdheden uit te
oefenen. |
| 4. |
De bevoegde autoriteiten kunnen de
activiteiten van een op haar grondgebied gevestigde instelling verbieden of
beperken, met name indien: |
| |
a. |
de instelling de belangen van de deelnemers aan en de
pensioengerechtigden van de regeling niet afdoende beschermt; |
| |
b. |
de instelling niet langer aan de voorwaarden voor de
verrichting van de werkzaamheden voldoet; |
| |
c. |
de instelling ernstig in gebreke blijft bij het voldoen
aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde
voorschriften; |
| |
d. |
de instelling, in geval van grensoverschrijdende
activiteiten, de vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de
betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenen niet
in acht neemt. Een eventueel besluit om activiteiten van een instelling te
verbieden wordt nauwkeurig met redenen omkleed en de betrokken instelling
wordt hiervan in kennis gesteld. |
| 5. |
De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen
besluiten ten aanzien van instellingen die worden genomen op grond van
overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen, beroep op de rechter openstaat. |
Artikel 15 Technische voorzieningen
| 1. |
De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat
instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren te allen tijde met
betrekking tot het geheel van de door hun uitgevoerde pensioenregelingen een
juist bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële
verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten
voortvloeien. |
| 2. |
De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat
instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden
tegen biometrische risico's en/of een garantie bieden met betrekking tot
hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de
uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking
tot het geheel van deze regelingen. |
| 3. |
De technische voorzieningen worden elk jaar
berekend. De lidstaat van herkomst kan evenwel toestaan dat deze berekening
om de drie jaar wordt uitgevoerd indien de instelling de deelnemers en/of de
bevoegde autoriteiten voor de tussenliggende jaren een verklaring of een
verslag met aanpassingen verstrekt. In die verklaring of dat verslag moet de
aangepaste ontwikkeling van de technische voorzieningen en van wijzigingen
in de gedekte risico's worden weergegeven. |
| 4. |
De berekening van de technische
voorzieningen wordt uitgevoerd en gewaarmerkt door een actuaris, of anders
door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, op grond
van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende
actuariële methoden en met inachtneming van de volgende beginselen: |
| |
a. |
het minimumbedrag van de technische
voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente
actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake
uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling
uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat
de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de
pensioengerechtigden, kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te
weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de
deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering
van de passiva zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden
bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht
genomen moet worden, indien van toepassing; |
| |
b. |
de toegepaste maximale rentepercentages
moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle desbetreffende
voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van deze
prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met: |
| |
|
- |
het rendement van de overeenkomstige activa die door de
instelling worden beheerd en met de toekomstige beleggingsopbrengsten, en/of |
| |
|
- |
marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige of
staatsobligaties; |
| |
c. |
de voor de berekening van de technische
voorzieningen gebruikte biometrische tabellen worden gebaseerd op prudente
beginselen, rekening houdend met de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en
de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de
relevante risico's; |
| |
d. |
de methode en de grondslag van de berekening
van de technische voorzieningen blijft in het algemeen van boekjaar tot
boekjaar ongewijzigd. Wijzigingen kunnen evenwel gerechtvaardigd zijn als
gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische
omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen. |
| 5. |
De lidstaat van herkomst kan ten aanzien van
de berekening van de technische voorzieningen aanvullende en meer uitvoerige
voorwaarden opleggen met het oog op een voldoende bescherming van de
belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden. |
| 6. |
Met het oog op een verdere harmonisatie van de voorschriften voor de berekening van de
technische voorzieningen die gerechtvaardigd kunnen worden — met name de
rentepercentages en andere hypotheses die van invloed zijn op de hoogte van de technische
voorzieningen — brengt de Commissie om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat verslag
uit over de situatie met betrekking tot de ontwikkeling van de grensoverschrijdende
activiteiten. De Commissie stelt alle maatregelen voor die noodzakelijk zijn ter voorkoming van
mogelijke verstoringen die worden veroorzaakt door verschillen in de hoogte van de
rentevoeten, en ter bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en de
deelnemers aan enigerlei regeling. |
Artikel 16 Financiering van de technische voorzieningen
| 1. |
De lidstaat van herkomst verplicht iedere
instelling te allen tijde over voldoende en passende activa te beschikken om
de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de door haar
uitgevoerde pensioenregelingen te dekken. |
| 2. |
De lidstaat van herkomst kan een instelling
toestaan gedurende een korte periode over onvoldoende activa te beschikken
om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval verplichten de
bevoegde autoriteiten de instelling een concreet en haalbaar herstelplan aan
te nemen om ervoor te zorgen dat opnieuw aan de vereisten van lid 1 wordt
voldaan. Bedoeld plan is aan de volgende voorwaarden onderworpen: |
| |
a. |
de instelling stelt een concreet en haalbaar plan op om
de hoeveelheid activa die noodzakelijk is om de technische voorzieningen
volledig te dekken, tijdig te herstellen. Het plan wordt ter beschikking
gesteld van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers
en/of wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
goedgekeurd; |
| |
b. |
bij de opstelling van het plan wordt rekening gehouden
met de specifieke situatie van de instelling, met name de structuur van
activa en passiva, het risicoprofiel, de liquiditeitsplanning, het
leeftijdsprofiel van de deelnemers die aanspraak kunnen maken op
pensioenuitkeringen, aanvangsregelingen en regelingen die van niet- of
gedeeltelijke kapitalisatie in volledige kapitalisatie worden gewijzigd; |
| |
c. |
ingeval een pensioenregeling tijdens deze periode zoals
hiervoor in dit lid genoemd, wordt beëindigd, stelt de instelling de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. De
instelling stelt een procedure vast om de activa en overeenkomstige passiva
aan een andere financiële instelling of een vergelijkbaar lichaam over te dragen.Deze procedure wordt ter kennis van de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat van herkomst gebracht, en er wordt een algemeen overzicht van de
procedure ter beschikking van de deelnemers of, indien van toepassing, hun
vertegenwoordigers gesteld in overeenstemming met het vertrouwelijkheidsbeginsel. |
| 3. |
In geval van grensoverschrijdende
activiteiten als bedoeld in artikel 20 moeten de technische voorzieningen
met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen te allen
tijde volledig door kapitaal zijn gedekt. Is niet aan deze voorwaarden
voldaan, dan handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
overeenkomstig artikel 14. Voor de naleving van dit vereiste kan de lidstaat
van herkomst verlangen dat de activa en passiva worden afgescheiden. |
Artikel 17 Voorgeschreven eigen vermogen
| 1. |
De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en
zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's
verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen
garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de
technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort
risico en de aard van de activa met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen.
Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om
verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen. |
| 2. |
Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen
27 en 28 van Richtlijn 2002/83/EG vastgestelde regels van toepassing. |
| 3. |
Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde instellingen te verplichten
tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften
vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn. |
Artikel 18 Beleggingsvoorschriften
| 1. |
De lidstaten verplichten de instellingen die
binnen hun rechtsgebied gevestigd zijn een beleggingsbeleid te voeren dat in
overeenstemming is met de „prudent person”-regel en met name met de volgende
voorschriften: |
| |
a. |
de activa worden belegd in het belang van de deelnemers
en de pensioengerechtigden. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen
zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat
de belegging uitsluitend in het belang van de deelnemers en de
pensioengerechtigden geschiedt; |
| |
b. |
de activa worden op zodanige wijze belegd dat de
veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de
portefeuille als geheel worden gewaarborgd. Activa die ter dekking van de
technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een
wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige
pensioenuitkeringen; |
| |
c. |
de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde
markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde
financiële markt toegelaten activa, moeten in elk geval tot een prudent
niveau worden beperkt; |
| |
d. |
beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze
bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend
portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een
prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende
activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de
activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig
risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere
derivatenverrichtingen; |
| |
e. |
de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat
een bovenmatige afhankelijkheid van (of vertrouwen in) bepaalde activa, of
een bepaalde emittent of
groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden
vermeden. Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door
emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan
bovenmatige risicoconcentratie; |
| |
f. |
beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt
tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de
bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de
ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren,
beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille. Wanneer een groep van
ondernemingen aan de instelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in
deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met
de noodzaak van een behoorlijke diversificatie. De lidstaten kunnen ertoe
besluiten de onder e) en f) bedoelde vereisten niet toe te passen op
beleggingen in staatsobligaties. |
| 2. |
De lidstaat van herkomst verbiedt de
instelling leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te
treden. De lidstaten kunnen de instellingen evenwel toestaan om tijdelijk en
uitsluitend voor liquiditeitsdoelstellingen leningen aan te gaan. |
| 3. |
De lidstaten mogen van de op hun grondgebied
gevestigde instellingen niet verlangen dat zij in bepaalde categorieën
activa beleggen. |
| 4. |
Onverminderd het bepaalde in artikel 12,
stellen de lidstaten geen eisen inzake voorafgaande goedkeuring of
systematische kennisgeving aan de beleggingsbesluiten van een op hun
grondgebied gevestigde instelling of de vermogensbeheerder ervan. |
| 5. |
De lidstaten kunnen, overeenkomstig het
bepaalde in de leden 1 tot en met 4, voor op hun grondgebied gevestigde
instellingen nadere voorschriften vaststellen, met inbegrip van
kwantitatieve voorschriften, mits deze vanuit prudentieel oogpunt
gerechtvaardigd zijn, die het geheel van door deze instellingen uitgevoerde
pensioenregelingen weerspiegelen. Meer in het bijzonder kunnen de lidstaten
bepalingen op het gebied van beleggingen toepassen zoals die van Richtlijn
2002/ 83/EG. De lidstaten verbieden de instellingen evenwel niet om: |
| |
a. |
maximaal 70 % van de activa ter dekking van de
technische voorzieningen of van de gehele portefeuille voor regelingen
waarvan de deelnemers de beleggingsrisico's dragen, te beleggen in aandelen,
met aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardepapieren en
bedrijfsobligaties die zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde
markten, en te beslissen over het relatieve gewicht van deze waardepapieren
in hun beleggingsportefeuille. Mits zulks vanuit prudentieel oogpunt
gerechtvaardigd is, mogen de lidstaten evenwel een lagere limiet toepassen
op instellingen die pensioenproducten op basis van een gegarandeerde rente
op lange termijn verstrekken, het beleggingsrisico dragen en zelf de
garantie bieden; |
| |
b. |
maximaal 30 % van hun activa die tegenover hun
technische voorzieningen staan, te beleggen in activa in andere valuta's dan
die waarin de passiva luiden; |
| |
c. |
in risicokapitaalmarkten te beleggen. |
| 6. |
Het bepaalde in lid 5 belet de lidstaten
niet ook op individuele basis de toepassing van beleggingsvoorschriften door
op hun grondgebied gevestigde instellingen te eisen, op voorwaarde dat deze
met name in het licht van de door de instelling aangegane verplichtingen, prudentieel
gerechtvaardigd zijn. |
| 7. |
In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 kunnen de bevoegde
autoriteiten van iedere lidstaat van ontvangst verlangen dat de in de tweede alinea bedoelde
voorschriften op de instellingen in de lidstaat van herkomst van toepassing zijn. In dat geval
zijn deze voorschriften uitsluitend van toepassing op het deel van de activa van de instelling
dat overeenstemt met de activiteiten die in de betrokken lidstaat van ontvangst worden
uitgeoefend. Voorts worden ze uitsluitend toegepast indien dezelfde of strengere voorschriften
ook op in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen van toepassing zijn.
De in de eerste alinea bedoelde voorschriften luiden als volgt: |
| |
a. |
de instelling belegt niet méér dan 30 % van die activa in andelen, andere met
aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die niet zijn toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt, of belegt ten minste 70 % van deze activa in
aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die zijn
toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; |
| |
b. |
de instelling belegt niet meer dan 5 % van die activa in aandelen en andere met
aandelen gelijk te stellen waardepapieren, obligaties en andere geldmarkt- en
kapitaalmarktinstrumenten van dezelfde onderneming, en niet meer dan 10 % van die
activa in aandelen en andere met aandelen gelijkgestelde waardepapieren, obligaties
en andere geldmarkt- en kapitaalmarktinstrumenten van ondernemingen die tot
eenzelfde groep behoren; |
| |
c. |
de instelling belegt niet meer dan 30 % van deze activa in activa in andere valuta's
dan die waarin de passiva luiden. Om aan deze voorschriften te voldoen kan de
lidstaat van herkomst verlangen dat de activa worden afgescheiden. |
Artikel 19 Beheer en bewaring
| 1. |
De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor het beheer van hun beleggingsportefeuille
beleggingsbeheerders aanwijzen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan voor
deze activiteit naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig de Richtlijnen
85/611/EEG, 93/22/EEG en 2000/12/EG en 2002/83/EG, alsmede degenen bedoeld in artikel
2, lid 1, van deze richtlijn. |
| 2. |
De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor de bewaring van hun activa bewaarders
aanstellen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan naar behoren vergunning is
verleend overeenkomstig Richtlijn 93/22/EEG of Richtlijn 2000/12/EG of die voor de
doeleinden van Richtlijn 85/ 611/EEG als bewaarder zijn aanvaard. Het bepaalde in dit lid
belet de lidstaat van herkomst niet de aanwijzing van een bewaarder verplicht te stellen. |
| 3. |
Iedere lidstaat voert de nodige maatregelen uit om overeenkomstig zijn nationaal recht in staat
te zijn om overeenkomstig artikel 14 op verzoek van de lidstaat van herkomst van de instelling
de vrije beschikking over de activa te verbieden die worden gehouden door een op zijn
grondgebied gevestigde depositaris of bewaarder. |
Artikel 20 Grensoverschrijdende activiteiten
| 1. |
Onverminderd de nationale sociale en
arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale
pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat
van collectieve arbeidsovereenkomsten, staan de lidstaten de op hun
grondgebied gevestigde ondernemingen toe bij te dragen aan instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is
verleend. Tevens staan zij de op hun grondgebied vergunninghoudende
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening toe bijdragen te aanvaarden
van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn
gevestigd. |
| 2. |
Indien een instelling bijdragen wenst te
aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een
andere lidstaat is gevestigd, dan is hiervoor voorafgaande goedkeuring door
de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vereist, zoals bedoeld
in artikel 9, lid 5. Zij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst waar haar vergunning is verleend, in kennis van haar voornemen om
bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het
grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd. |
| 3. |
De lidstaten verlangen van op hun
grondgebied gevestigde instellingen die voornemens zijn bijdragen te
ontvangen van een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde
onderneming dat zij bij een kennisgeving ingevolge lid 2 de volgende
gegevens verstrekken: |
| |
a. |
de lidstaat (lidstaten) van ontvangst; |
| |
b. |
de naam van de bijdragende onderneming; |
| |
c. |
de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die
voor de bijdragende onderneming uitgevoerd zal worden. |
| 4. |
Wanneer de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat van herkomst in kennis worden gesteld overeenkomstig lid 2, doen
zij, tenzij ze reden hebben te betwijfelen dat de administratieve structuur
of de financiële positie van de instelling, of de goede reputatie en de
beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de instelling
besturen met de in de lidstaat van ontvangst voorgenomen activiteiten
verenigbaar zijn, binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde
gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat van ontvangst en stellen zij de instelling daarvan
dienovereenkomstig in kennis. |
| 5. |
Voordat de instelling met de uitvoering van
een pensioenregeling voor een bijdragende onderneming in een andere lidstaat
begint, zullen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst binnen
twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde
gegevens, in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst informeren over de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke
bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering
van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de
lidstaat van ontvangst, alsmede over voorschriften die krachtens artikel 18,
lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden toegepast. De bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de instelling mededeling van
deze gegevens. |
| 6. |
Zodra de instelling de in lid 5 bedoelde
mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 5 genoemde
periode geen mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst is ontvangen, kan de instelling met de uitvoering van de
pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de
lidstaat van ontvangst beginnen, met inachtneming van de op
bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en
arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst en van voorschriften die
krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden
toegepast. |
| 7. |
Met name zijn de instellingen waaraan wordt
bijgedragen door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, wat de
desbetreffende deelnemers betreft, tevens onderworpen aan door de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van ontvangst aan in die lidstaat gevestigde
instellingen opgelegde voorschriften inzake informatieverstrekking
overeenkomstig artikel 11. |
| 8. |
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
ontvangst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in
kennis van elke significante wijziging in de op bedrijfspensioenvoorziening
toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat
van ontvangst die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de
pensioenregeling, voorzover het gaat om de uitvoering van de
pensioenregeling waaraan door een onderneming wordt bijgedragen in de
lidstaat van ontvangst, alsmede in voorschriften die toegepast moeten worden
krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel. |
| 9. |
De instelling wordt onderworpen aan
voortdurend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
ontvangst om na te gaan of haar activiteiten in overeenstemming zijn met de
in lid 5 bedoelde op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van
de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, alsook met de
in lid 7 bedoelde voorschriften inzake informatieverstrekking. Wanneer bij
dit toezicht onregelmatigheden aan het licht komen, stellen de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat van herkomst hiervan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten
van de lidstaat van herkomst nemen in coördinatie met de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de nodige maatregelen om ervoor
te zorgen dat de instelling een einde maakt aan de vastgestelde inbreuk op
de sociale en arbeidswetgeving. |
| 10. |
Indien de instelling, in weerwil van de door
de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen
of omdat de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft getroffen,
inbreuk blijft maken op de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke
bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst,
kunnen de bevoegde autoriteiten van deze laatste, na de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben
gesteld, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te
voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks volstrekt
noodzakelijk is, de instelling te beletten in de lidstaat van ontvangst activiteiten te verrichten
voor de bijdragende onderneming. |
Artikel 21 Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie
| 1. |
DDe lidstaten dragen op passende wijze zorg
voor de uniforme toepassing van deze richtlijn door een regelmatige
uitwisseling van informatie en ervaringen, met het doel om de beste
praktijken op dit gebied alsmede een nauwere samenwerking te ontwikkelen en
op deze wijze mededingingsverstoringen te voorkomen en de voorwaarden te
scheppen voor vlotte grensoverschrijdende deelneming. |
| 2. |
De Commissie en de bevoegde autoriteiten van
de lidstaten werken nauw samen met het doel om het toezicht op de
activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te
vergemakkelijken. |
| 3. |
Elke lidstaat brengt de Commissie op de
hoogte van belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing
van deze richtlijn. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de
betrokken lidstaten bekijken zo snel mogelijk die moeilijkheden om daarvoor
een passende oplossing te kunnen vinden. |
| 4. |
Vier jaar na de inwerkingtreding van deze
richtlijn brengt de Commissie verslag uit over de evaluatie van: |
| |
a. |
de toepassing van artikel 18 en de gemaakte vorderingen
inzake de aanpassing van de nationale toezichtstelsels, en |
| |
b. |
de toepassing van artikel 19, lid 2, tweede alinea, met
name de in de lidstaten heersende situatie in verband met het gebruik van
bewaarders en de rol die zij in voorkomend geval vervullen. |
| 5. |
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
ontvangst kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
vragen een besluit te nemen over de afscheiding van de activa en passiva van
de instelling, zoals bepaald in artikel 16, lid 3, en artikel 18, lid 7. |
Artikel 22 Uitvoering
| 1. |
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om
aan deze richtlijn te voldoen voor 23 september 2005. Zij stellen de Commissie daarvan
onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de
bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De
regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. |
| 2. |
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht
mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. |
| 3. |
De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 17, leden 1 en 2, op op hun grondgebied
gevestigde instellingen die op de in lid 1 van dit artikel genoemde datum niet beschikken over
het minimumbedrag aan voorgeschreven eigen vermogen dat is voorgeschreven bij artikel 17,
leden 1 en 2, uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die pensioenregelingen op
grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen uitvoeren, is dat evenwel niet
toegestaan, totdat ze aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen. |
| 4. |
De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 18, lid 1, onder f), op op hun grondgebied
gevestigde instellingen uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die
pensioenregelingen op grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen
uitvoeren, is dat evenwel niet toegestaan, tenzij ze onmiddellijk aan de voorschriften van deze
richtlijn voldoen. |
Artikel 23 Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese
Unie.
Artikel 24 Addressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Luxemburg, 3 juni 2003.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
P. COX
Voor de Raad
De voorzitter
N. CHRISTODOULAKIS
NOTEN
| 1. |
PB C 96 E van 27.3.2001, blz. 136. |
| 2. |
PB C 155 van 29.5.2001, blz. 26. |
| 3. |
Advies van het Europees Parlement van 4 juli 2001 (PB C 65 E van 14.3.2002, blz. 135),
gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5 november 2002 (nog niet bekendgemaakt in
het Publicatieblad), besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2003 (nog niet
bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 mei 2003. |
| 4. |
PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/74/EG van
het Europees Parlement en de Raad (PB L 270 van 8.10.2002, blz. 10). |
| 5. |
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van
de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2).
Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1386/ 2001 van het Europees
Parlement en de Raad (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 1). |
| 6. |
Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze
van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden,
die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1). Verordening
laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 410/2002 van de Commissie (PB L 62 van
5.3.2002, blz. 17). |
| 7. |
Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met
uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228 van
16.8.1973, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/13/EG van het Europees
Parlement en de Raad (PB L 77 van 20.3.2002, blz. 17). |
| 8. |
Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in
effecten (icbe's) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn
2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 35). |
| 9. |
Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op
het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27). Richtlijn laatstelijk
gewijzigd bij Richtlijn 2000/64/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 290 van
17.11.2000, blz. 27). |
| 10. |
Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende
de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126 van
26.5.2000, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/28/EG (PB L 275 van
27.10.2000, blz. 37). |
| 11. |
Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002
betreffende levensverzekering (PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1). |
| |
 |
 |