 |
 |
Ideeën en onderzoek
|
Richtlijn tot instelling algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep
[ Printversie ]
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor
gelijke behandeling in arbeid en beroep
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 13,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
Gezien het advies van het Europees Parlement(2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),
Overwegende hetgeen volgt:
1. |
Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie is de Europese Unie gegrondvest op de beginselen van vrijheid,
democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen
hebben, en eerbiedigt de Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd
door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden en zoals die uit de gemeenschappelijke
constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene
beginselen van het Gemeenschapsrecht. |
2. |
Het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en
mannen is vast verankerd in tal van bepalingen van de Gemeenschapswetgeving,
in het bijzonder in Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden(5). |
3. |
Bij de uitvoering van het beginsel van gelijke
behandeling streeft de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het
Verdrag, ernaar, ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en
vrouwen te bevorderen, met name omdat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van
meervoudige discriminatie. |
4. |
Gelijkheid voor de wet en bescherming van eenieder tegen
discriminatie is als universeel recht erkend door de Universele Verklaring
van de rechten van de mens, door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake
de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, door de
Internationale Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en
politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en culturele
rechten, en door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, die door alle lidstaten zijn ondertekend;
Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie verbiedt
discriminatie op het terrein van arbeid en beroep. |
5. |
Het is belangrijk dat deze fundamentele rechten en
vrijheden worden geëerbiedigd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de
vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen
vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten
voor de bescherming van zijn belangen. |
6. |
Het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden
erkent het belang van de bestrijding van elke vorm van discriminatie, met
inbegrip van de noodzaak om passende maatregelen te nemen voor de sociale en
economische integratie van ouderen en personen met een handicap. |
7. |
Krachtens het EG-Verdrag behoort onder meer de bevordering van de coördinatie van het
werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten tot de taken van de Gemeenschap. Hiertoe werd in
het EG-Verdrag een nieuw werkgelegenheidshoofdstuk opgenomen als een middel voor
de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in
het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het
aanpassingsvermogen van de werknemers. |
8. |
De door de Europese Raad van Helsinki op 10 en 11 december
1999 goedgekeurde werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2000 benadrukken de
noodzaak een voor de sociale integratie gunstige arbeidsmarkt te bevorderen
door formulering van een samenhangend geheel van beleidsmaatregelen ter
bestrijding van discriminatie van groepen zoals personen met een handicap.
Tevens benadrukken zij de noodzaak bijzondere aandacht te schenken aan de
steun voor oudere werknemers teneinde hun deelname aan het arbeidsproces te
doen toenemen. |
9. |
Arbeid en beroep zijn sleutelelementen voor het
waarborgen van gelijke kansen voor eenieder en zij leveren een belangrijke
bijdrage aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische,
culturele en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing. |
10. |
De Raad heeft op 29 juni 2000 Richtlijn 2000/43/EG(6)
aangenomen houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van
personen ongeacht ras of etnische afstamming, die reeds bescherming biedt
tegen dergelijke discriminatie op het terrein van arbeid en beroep. |
11. |
Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid kan de verwezenlijking van de
doelstellingen van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de
verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale
bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het
bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de
solidariteit, alsmede het vrij verkeer van personen. |
12. |
Daartoe dient in de gehele Gemeenschap elke directe of
indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap,
leeftijd of seksuele geaardheid op de door deze richtlijn bestreken
terreinen verboden te zijn. Dit verbod op discriminatie geldt ook voor
onderdanen van derde landen, maar is niet van toepassing op verschillen in
behandeling op grond van nationaliteit en laat de bepalingen inzake inreis
en verblijf en toegang tot arbeid en beroep van onderdanen van derde landen
onverlet. |
13. |
Deze richtlijn is niet van toepassing op regelingen
inzake sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de voordelen niet
worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord
wordt gegeven bij de toepassing van artikel 141 van het EGVerdrag noch op
enige vorm van uitkering, door de staat verstrekt ter bevordering van de
toegang tot of het behoud van de arbeid. |
14. |
Deze richtlijn laat de nationale bepalingen waarin de
pensioengerechtigde leeftijd wordt vastgesteld onverlet. |
15. |
Feiten op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er
sprake is van directe of indirecte discriminatie dienen beoordeeld te worden
door nationale rechterlijke of andere bevoegde instanties overeenkomstig de
regels van de nationale wetgeving en praktijk; deze regels kunnen met name
inhouden dat indirecte discriminatie op enigerlei wijze, ook op basis van
statistische gegevens, kan worden aangetoond. |
16. |
Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de
behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding van
discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol. |
17. |
Deze richtlijn eist niet dat iemand in dienst genomen,
bevorderd, in dienst gehouden of opgeleid wordt die niet bekwaam, in staat
en beschikbaar is om de essentiële taken van de betreffende functie uit te
voeren of om een bepaalde opleiding te volgen, onverminderd de verplichting
om in redelijke aanpassingen voor personen met een handicap te voorzien. |
18. |
Deze richtlijn heeft met name niet tot gevolg dat de
strijdkrachten, de politie-, het gevangeniswezen of de noodhulpdiensten
worden gedwongen om personen in dienst te nemen of te houden die niet de
vereiste capaciteiten bezitten om alle taken te kunnen verrichten die zij
wellicht zullen moeten vervullen met het oog op de legitieme doelstelling
van handhaving van het operationele karakter van deze diensten. |
19. |
Opdat de lidstaten de slagkracht van hun strijdkrachten
kunnen handhaven, kunnen zij bovendien vastleggen dat de bepalingen van deze
richtlijn met betrekking tot handicap en leeftijd niet van toepassing zijn
op het geheel of een deel van hun strijdkrachten. De lidstaten die hiervoor
kiezen, moeten het toepassingsgebied van deze afwijking definiëren. |
20. |
Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en
praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van
de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld
aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of
voorzien in opleidings- en integratiemiddelen. |
21. |
Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen
onevenredige belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden
gehouden met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de
financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de
mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen. |
22. |
Deze richtlijn laat de nationale wetgevingen inzake
burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen onverlet. |
23. |
In een zeer beperkt aantal omstandigheden kan een verschil
in behandeling gerechtvaardigd zijn wanneer een met godsdienst of
overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verband houdend
kenmerk een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel
legitiem is en het vereiste daaraan evenredig is; in de informatie die de
lidstaten aan de Commissie verstrekken, moet aangegeven worden welke
omstandigheden het betreft. |
24. |
De Europese Unie heeft in de aan de Slotakte van het
Verdrag van Amsterdam gehechte Verklaring nr. 11 betreffende de status van
kerken en niet-confessionele organisaties uitdrukkelijk verklaard de status
die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het
nationale recht in de lidstaten hebben, te eerbiedigen en daaraan geen
afbreuk te doen en evenzeer de status van levensbeschouwelijke en
niet-confessionele organisaties te eerbiedigen. In dit verband kunnen de
lidstaten specifieke bepalingen handhaven of vaststellen inzake de
wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereisten die voor de
uitoefening van een beroepsactiviteit kunnen worden verlangd. |
25. |
Het verbod op discriminatie op grond van leeftijd vormt een
fundamenteel element om de in de werkgelegenheidsrichtsnoeren gestelde
doelen te bereiken en de diversiteit bij de arbeid te bevorderen; niettemin
kunnen verschillen in behandeling op grond van leeftijd in bepaalde
omstandigheden gerechtvaardigd zijn en derhalve specifieke bepalingen nodig
maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen; het is
derhalve van essentieel belang onderscheid te maken tussen verschillen in
behandeling die gerechtvaardigd zijn, met name door legitieme doelstellingen
van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de
beroepsopleiding, en discriminatie die verboden moet worden. |
26. |
Het discriminatieverbod mag geen afbreuk doen aan de
handhaving of vaststelling van maatregelen die zijn bedoeld om de nadelen
die een groep personen ondervindt van haar godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, te voorkomen of te compenseren en
deze maatregelen kunnen organisaties van personen met een bepaalde
godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid
toestaan, mits deze als hoofddoelstelling hebben aan de bijzondere behoefte
van deze personen tegemoet te komen. |
27. |
De Raad heeft in zijn aanbeveling 86/379/EEG van 24 juli
1986 betreffende de werkgelegenheid voor gehandicapten in de Gemeenschap(7)
een raamwerk vastgesteld met voorbeelden van positieve maatregelen ter
bevordering van de werkgelegenheid en de beroepsopleiding voor
gehandicapten, en heeft in zijn resolutie van 17 juni 1999 betreffende
gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap(8) gewezen op het belang
om specifieke aandacht te schenken aan met name de werving en het behoud van
de arbeidsdeelname, de opleiding en het levenslang leren van mensen met een
handicap. |
28. |
Deze richtlijn stelt minimumvereisten vast en laat de
lidstaten daarmee de keuze gunstiger bepalingen aan te nemen of te
handhaven. De uitvoering van deze richtlijn mag niet als rechtvaardiging
dienen voor enigerlei verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande
beschermingsniveau. |
29. |
Personen die op grond van godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zijn gediscrimineerd, dienen over
adequate mogelijkheden voor rechtsbescherming te beschikken. Teneinde een
effectiever beschermingsniveau te verschaffen, dienen verenigingen of
rechtspersonen de bevoegdheid te krijgen om namens of ten behoeve van
slachtoffers overeenkomstig door de lidstaten vastgestelde modaliteiten een
procedure aanhangig te maken, onverminderd de nationale procedureregels
betreffende de vertegenwoordiging en verdediging in rechte. |
30. |
Daadwerkelijke toepassing van het gelijkheidsbeginsel
vereist een passende rechtsbescherming tegen represailles. |
31. |
Het is noodzakelijk dat de regels voor de bewijslast worden
aangepast zodra er een kennelijke discriminatie bestaat; in de gevallen
waarin een dergelijke situatie ook inderdaad blijkt te bestaan, vergt de
feitelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling dat de
bewijslast bij de verweerder wordt gelegd. Het is evenwel niet aan de
verweerder om te bewijzen dat de eiser een bepaalde godsdienst, overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid heeft. |
32. |
De lidstaten hoeven de regels betreffende de bewijslast
niet toe te passen in zaken waarin het aan de rechtbank of een andere
bevoegde instantie is om de feiten te onderzoeken; het betreft hier
procedures waarin de eiser de feiten niet hoeft te bewijzen, maar het aan de
rechtbank of de bevoegde instantie is deze te onderzoeken. |
33. |
De lidstaten dienen de dialoog tussen de sociale partners
en, binnen het kader van de nationale praktijk, met de niet-gouvernementele
organisaties te bevorderen teneinde de diverse vormen van discriminatie op
de werkplek aan te pakken en te bestrijden. |
34. |
Om vrede en verzoening tussen de voornaamste gemeenschappen
in Noord-Ierland te bevorderen, moeten er bijzondere bepalingen in deze
richtlijn worden opgenomen. |
35. |
De lidstaten dienen voor inbreuken op de uit deze richtlijn
voortvloeiende verplichtingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende
sancties vast te stellen. |
36. |
De lidstaten kunnen de sociale partners, indien deze daarom
gezamenlijk verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn, voor
wat de onder collectieve overeenkomsten vallende bepalingen betreft, op
voorwaarde dat de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de in deze
richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. |
37. |
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van
artikel 5 van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van deze richtlijn,
namelijk het scheppen, binnen de Gemeenschap, van gelijke voorwaarden met
betrekking tot gelijke behandeling in arbeid en beroep, onvoldoende door de
lidstaten worden verwezenlijkt en derhalve kunnen die doelstellingen wegens
de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap worden
verwezenlijkt. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in genoemd
artikel besloten ligt, reikt deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is
om die doelstelling te verwezenlijken, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Doel
Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor
de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele
geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.
Artikel 2. Het begrip discriminatie
| 1. |
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het
beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van
directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1
genoemde gronden. |
| 2. |
Voor de toepassing van lid 1 is er: |
|
a. |
"directe discriminatie", wanneer iemand ongunstiger
wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou
worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden; |
|
b. |
"indirecte discriminatie", wanneer een ogenschijnlijk
neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde
godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in
vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt,
i) tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt
gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van
dat doel passend en noodzakelijk zijn, of
ii) tenzij de werkgever dan wel iedere andere persoon of organisatie
waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is, voor personen met een
bepaalde handicap krachtens de nationale wetgeving verplicht is passende
maatregelen te nemen die overeenkomen met de in artikel 5 vervatte
beginselen, teneinde de nadelen die die bepaling, maatstaf of handelwijze
met zich brengt, op te heffen. |
| 3. |
Intimidatie wordt als een vorm van discriminatie in
de zin van lid 1 beschouwd als er sprake is van ongewenst gedrag dat met een
van de in artikel 1 genoemde gronden verband houdt, en tot doel of gevolg
heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende,
vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
Het begrip intimidatie kan in dit verband worden gedefinieerd in
overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken van de lidstaten. |
| 4. |
Een opdracht tot het discrimineren van personen op basis
van een van de in artikel 1 genoemde gronden, wordt beschouwd als
discriminatie in de zin van lid 1. 5. Deze richtlijn laat de nationale
wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving
noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare
orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de
volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden. |
Artikel 3. Werkingssfeer
1.
| 1. |
Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende
bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de
particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen
van toepassing met betrekking tot: |
|
a. |
de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als
zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en
aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van
de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen; |
|
b. |
de toegang tot alle vormen en alle niveaus van
beroepskeuzevoorlichting, beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding en
omscholing, met inbegrip van praktijkervaring; |
|
c |
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van
ontslag en beloning; |
|
d |
het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een
werkgevers- of werknemersorganisatie of enige organisatie waarvan de leden
een bepaald beroep uitoefenen, waaronder de voordelen die deze organisaties
bieden. |
| 2 |
Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in
behandeling gebaseerd op nationaliteit en doet geen afbreuk aan voorwaarden
voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en staatlozen tot c.q.
op het grondgebied van de lidstaten, noch aan enige behandeling die het
gevolg is van de juridische status van de betrokken onderdanen van derde
landen en staatlozen. |
| 3. |
Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van
welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee
gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid
of voor sociale bescherming. |
| 4. |
De lidstaten kunnen bepalen dat deze richtlijn, voorzover
zij betrekking heeft op discriminatie op grond van handicap en leeftijd,
niet van toepassing is op de strijdkrachten. |
Artikel 4. Wezenlijke beroepsvereisten
1 |
Niettegenstaande artikel 2, leden 1 en 2, kunnen de
lidstaten bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in
verband met een van de in artikel 1 genoemde gronden berust, geen
discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de
betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden
uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel
legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is. |
2. |
De lidstaten kunnen op het moment van vaststelling van deze
richtlijn bestaande nationale wetgeving handhaven of voorzien in toekomstige
wetgeving waarin op de datum van vaststelling van deze richtlijn bestaande
nationale praktijken worden opgenomen, die bepaalt, dat in het geval van
kerken en andere publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag
op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, voor wat betreft de
beroepsactiviteiten van deze organisaties een verschil in behandeling
gebaseerd op godsdienst of overtuiging van een persoon geen discriminatie
vormt indien vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin deze
worden uitgeoefend de godsdienst of overtuiging een wezenlijke, legitieme en
gerechtvaardigde beroepsvereiste vormt gezien de grondslag van de
organisatie. Dit verschil in behandeling wordt toegepast met inachtneming
van de grondwettelijke bepalingen en beginselen van de lidstaten en van de
algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, en mag geen op een andere
grond gebaseerde discriminatie rechtvaardigen. Mits de bepalingen van deze
richtlijn voor het overige worden geëerbiedigd, laat deze richtlijn derhalve
het recht van kerken en andere publieke of particuliere organisaties waarvan
de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, onverlet om,
handelend in overeenstemming met de nationale grondwettelijke en wettelijke
bepalingen, van personen die voor hen werkzaam zijn, een houding van goede
trouw en loyaliteit aan de grondslag van de organisatie te verlangen. |
Artikel 5. Redelijke aanpassingen voor gehandicapten
Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met
een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de
werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een
persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of
daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de
werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt
gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid
inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.
Artikel 6. Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd
| 1. |
Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten
bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen
discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving
objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met
inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de
werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor
het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten: |
|
a. |
het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot
arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en
-omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor
jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde
hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te
verzekeren; |
|
b. |
de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot
leeftijd, beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot
de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen; |
|
c |
de vaststelling van een maximumleeftijd voor aanwerving,
gebaseerd op de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak
van een aan pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren. |
| 2 |
Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten
bepalen dat de vaststelling, in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd
of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen,
inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of
categorieën werknemers, in de ondernemings- en sectoriële regelingen inzake
sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van
leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond
van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van
geslacht. |
Artikel 7. Positieve acties en specifieke maatregelen
1 |
Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een
lidstaat, om volledige gelijkheid in het beroepsleven te waarborgen,
specifieke maatregelen handhaaft of treft om de nadelen verband houdende met
een van de in artikel 1 genoemde gronden te voorkomen of te compenseren. |
2. |
Met betrekking tot personen met een handicap vormt het
beginsel van gelijke behandeling geen beletsel voor het recht van de
lidstaten om maatregelen te handhaven of vast te stellen ter bescherming van
de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplek, noch voor maatregelen die
erop gericht zijn om voorzieningen of faciliteiten te scheppen of te
handhaven om de opneming van personen met een handicap in het arbeidsproces
te behouden of te bevorderen. |
Artikel 8. Minimumvereisten
1 |
De lidstaten mogen bepalingen vaststellen of handhaven die
voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling gunstiger zijn
dan die van deze richtlijn. |
2. |
De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding
een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau
van bescherming tegen discriminatie op de door de richtlijn bestreken
terreinen. |
HOOFDSTUK II
RECHTSMIDDELEN EN HANDHAVING VAN RECHTEN
Artikel 9. Verdediging van rechten
1 |
De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door
niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht,
toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures, en
wanneer zij zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de
naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na
beëindiging van de verhouding waarin deze persoon zou zijn gediscrimineerd. |
2. |
De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties
of andere rechtspersonen, die er, overeenkomstig de in de nationale
wetgeving vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze
richtlijn wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van de klager of
klaagster met zijn, respectievelijk haar toestemming met het oog op de
naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen,
gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen. |
3. |
De leden 1 en 2 laten de nationale regels betreffende de
termijnen voor de instelling van een rechtsvordering aangaande het beginsel
van gelijke behandeling onverlet. |
Artikel 10. Bewijslast
1. |
De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale
rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer
personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel
van gelijke behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere
bevoegde instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie
kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van
gelijke behandeling niet werd geschonden. |
2. |
Lid 1 belet de lidstaten niet bewijsregels in te voeren die
gunstiger zijn voor de eiser. |
3. |
Lid 1 is niet van toepassing op strafprocedures. |
4. |
De leden 1, 2 en 3 zijn tevens van toepassing op alle
procedures overeenkomstig artikel 9, lid 2. |
5. |
De lidstaten hoeven lid 1 niet toe te passen in zaken
waarin het aan de rechter of een andere bevoegde instantie is om de feiten
te onderzoeken. |
Artikel 11. Bescherming tegen represailles
De lidstaten nemen in hun nationale wetgeving de nodige maatregelen op ter bescherming van
werknemers tegen ontslag of enige andere nadelige behandeling waarmee de werkgever reageert op
een klacht binnen de onderneming of op een procedure gericht op het doen naleven van het beginsel
van gelijke behandeling.
Artikel 12. Verspreiding van informatie
De lidstaten dragen er zorg voor dat binnen hun grondgebied alle betrokkenen via alle passende
middelen adequate informatie krijgen over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen
tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen, bijvoorbeeld op de arbeidsplaatsen.
Artikel 13. Sociale dialoog
1 |
Overeenkomstig hun nationale tradities en praktijken nemen
de lidstaten passende maatregelen om te bevorderen dat werkgevers en
werknemers via de sociale dialoog gelijke behandeling aanmoedigen, onder
meer door toe te zien op de praktijk op het werk, door collectieve
overeenkomsten, gedragscodes, onderzoek of de uitwisseling van ervaringen en
goede praktijken. |
2. |
Voorzover zulks aansluit bij hun nationale tradities en praktijken, moedigen de lidstaten
werkgevers en werknemers met inachtneming van hun autonomie aan om op het gepaste
niveau overeenkomsten te sluiten die antidiscriminatieregels behelzen op de in
artikel 3 genoemde gebieden die binnen de werkingssfeer van collectieve
onderhandelingen vallen. Deze overeenkomsten moeten de minimumeisen gesteld
in de onderhavige richtlijn en de nationale uitvoeringsmaatregelen
eerbiedigen. |
Artikel 14. Dialoog met niet-gouvernementele organisaties
De lidstaten bevorderen de dialoog met aangewezen niet-gouvernementele organisaties die
overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk een rechtmatig belang hebben bij te dragen tot de
bestrijding van discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden met het oog op
het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling.
HOOFDSTUK III
BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 15. Noord-Ierland
1. |
Om de ondervertegenwoordiging van een van de grote religieuze gemeenschappen in de
politiedienst in Noord-Ierland te verhelpen, vormen verschillen in behandeling
bij aanwerving voor die dienst, met inbegrip van ondersteunend personeel,
geen discriminatie, voor zover die verschillen in behandeling uitdrukkelijk
zijn toegestaan door de nationale wetgeving. |
2. |
Om evenwicht te houden in de kansen op werk voor
onderwijzend personeel in Noord-Ierland,
en tevens bij te dragen tot de onderlinge toenadering van de historisch verdeelde grote
religieuze gemeenschappen aldaar, zijn de bepalingen van deze richtlijn betreffende
godsdienst of overtuiging niet van toepassing op de aanwerving van onderwijzend personeel
in de scholen van Noord-Ierland, voor zover dit uitdrukkelijk is toegestaan door
de nationale wetgeving. |
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 16. Naleving van de richtlijn
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er zorg voor te dragen dat
a. |
alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met
het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft; |
b. |
alle met het beginsel van gelijke behandeling in strijd
zijnde bepalingen in individuele of collectieve contracten of
overeenkomsten, interne reglementen van ondernemingen en in regels waaraan
de vrije beroepen en werkgevers- en werknemersorganisaties onderworpen zijn,
nietig worden of kunnen worden verklaard of worden gewijzigd. |
Artikel 17. Sancties
De lidstaten stellen vast welke sancties gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze
richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat
deze sancties worden toegepast. De sancties, die ook het betalen van schadevergoeding aan het
slachtoffer kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen
de Commissie uiterlijk op 2 december 2003 in kennis van die bepalingen en stellen haar zo spoedig
mogelijk in kennis van eventuele latere wijzigingen daarop.
Artikel 18. Uitvoering
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk
op 2 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen of kunnen de sociale partners, indien deze daarom
gezamenlijk verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn, voor wat de onder collectieve
overeenkomsten vallende bepalingen betreft. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de sociale
partners, uiterlijk op 2 december 2003 de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de
lidstaten moeten zelf alle maatregelen treffen om de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te
allen tijde te kunnen waarborgen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Teneinde met bijzondere omstandigheden rekening te houden kunnen de lidstaten indien nodig
beschikken over drie extra jaren vanaf 2 december 2003, ofwel een totaal van maximaal 6 jaar, om de
bepalingen met betrekking tot discriminatie op grond van leeftijd en handicap uit te voeren. In dat
geval stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Iedere lidstaat die van deze extra periode
gebruik wenst te maken, brengt jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die hij
neemt om discriminatie op grond van leeftijd en handicap aan te pakken en over de vooruitgang die bij
de uitvoering van de richtlijn is geboekt. De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan de Raad.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige
richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De
regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 19.Verslag
1. |
De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 2
december 2005, en vervolgens om de vijf jaar, alle dienstige gegevens om
haar in staat te stellen een verslag aan het Europees Parlement en aan de
Raad over de toepassing van deze richtlijn op te stellen. |
2. |
In het verslag van de Commissie wordt op passende wijze
rekening gehouden met de standpunten van de sociale partners en betrokken
niet-gouvernementele organisaties. Overeenkomstig het beginsel van
integratie van het gelijkekansenbeleid (gender
mainstreaming) worden in dit verslag onder meer de gevolgen van de maatregelen
ten aanzien van mannen en vrouwen geëvalueerd. In het licht van de vergaarde
informatie bevat het verslag, indien nodig, voorstellen voor de herziening
en actualisering van de richtlijn. |
Artikel 20. Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de
Europese Gemeenschappen.
Artikel 21. Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
NOTEN
(1) PB C 177 E van 27.6.2000, blz. 42
(2) Advies uitgebracht op 12 oktober 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad)
(3) PB C 204 van 18.7.2000, blz. 82
(4) PB C 226 van 8.8.2000, blz. 1
(5) PB L 39 van 14.2.1976, blz. 40
(6) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22
(7) PB L 225 van 12.8.1986, blz. 43
(8) PB C 186 van 2.7.1999, blz. 3
| |
 |
 |