| 5. | Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het
verlenen van uitstel van betaling voor
belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting
die is verschuldigd door de toepassing van de
artikelen 3.83, eerste lid of tweede
lid,
3.133, tweede lid, onderdelen h of j,
3.136, eerste lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001. Het in de eerste volzin bedoelde uitstel wordt verleend tot
uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar
waarop de belastingaanslag betrekking
heeft. De in
de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het
stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd indien zich een
omstandigheid voordoet als genoemd in
artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste volzin,
van de Wet op de loonbelasting 1964,
artikel 3.133, tweede lid, onderdelen a tot en met g, i
en k, of
artikel 3.135, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001. |