skip to sub menu skip to main content
nederland homeorganisatiebusiness issuesdienstenideeën en onderzoekactualiteiten

ideeën en onderzoek

Pensioenregelgeving

Home > Europe Home > Nederland Home > Ideeën en onderzoek > Pensioenregelgeving > Fiscale pensioenregelgeving

Ideeën en onderzoek

Overzicht
Technische en beleidspublicaties
Pensioenregelgeving
Pensioenwet
PSW
Wet Bpf 2000
Wet Financieel Toezicht
Wet VBP
Wet VPS
Gelijke behandeling
Fiscale pensioenregelgeving
Europese regelgeving
Overige
Pensioenbegrippen
Statistische data
Internet links
Worldwide Research

global web sites

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965

[ Printversie ]

Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 april 1965, nr. B5/6210, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 4, 7, 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 521);

De Raad van State gehoord (advies van 12 mei 1965, nr. 64);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 mei 1965, nr. 135/7088, Directie Wetgeving Directe belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 4. Pensioenregelingen (Hoofdstuk IIB van de wet)

Artikel 10a

1.

Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd, als bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 38c, 38d en 38f van de wet, worden in aanmerking genomen:

a.

de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd, daaronder begrepen perioden van – al dan niet in deeltijd –:

1°.

ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;

2°.

sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden;

3°.

studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd;

4°.

verlof als bedoeld in artikel 19g van de wet;

met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

b.

perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling;

c.

perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, of, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar;

d.

perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet;

e.

perioden gedurende welke, in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden, uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet;

f.

dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet, naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige, voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld;

g.

perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, meetellen voor de helft. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen, inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort, daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige, inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde-overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven, indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode.

Artikel 10aa

1.

Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van

wordt het in artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde bedrag vervangen door 70% van

meer dan

maar niet meer dan

 

1,8%

€ 10 097

1,8%

1,9%

€ 11 172


2.

Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van

wordt het in artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, eerste volzin, bedoelde bedrag vervangen door 70% van

meer dan

maar niet meer dan

 

2,05%

€ 10 097

2,05%

2,15%

€ 11 172


3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a, derde lid, van de wet.

4.

De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot partnerpensioen en wezenpensioen, met dien verstande dat daarbij de in het eerste lid en het tweede lid opgenomen percentages naar evenredigheid worden verlaagd overeenkomstig de verhouding tussen de in artikel 18b, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 18c, eerste en tweede lid, van de wet genoemde percentages per dienstjaar en die in artikel 18a van de wet.

Artikel 10ab

1.

Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren, als bedoeld in artikel 18 en 18e van de wet, worden in aanmerking genomen:

a.

de perioden die ingevolge artikel 10a, eerste lid, onderdelen a, b en g, als dienstjaren in aanmerking zijn genomen;

b.

de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige, indien ter zake van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 71, 74, 75, 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet, naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden;

c.

de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige, indien ter zake van deze perioden met toepassing van artikel 10a, tweede of derde lid, inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden;

voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen.

2.

Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006, voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen.

3.

Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in aanmerking zijn genomen.

4.

Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor, met dien verstande dat artikel 10b, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.

5.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel c, of derde lid, wordt voor de toepassing van artikel 18e, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, van de wet het 40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende:

a.

uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen;

b.

uitkeringen ingevolge een 40-deelnemingsjarenpensioen;

c.

uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde;

d.

uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde;

e.

uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde.

6.

Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, in aanmerking worden genomen als deelnemingsjaren, wordt voor de toepassing van artikel 18e, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, van de wet het 40-deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 10b

1.

Als loonbestanddelen, als bedoeld in artikel 18g, tweede lid, onderdeel a, van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen, met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto. Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen in de periode die aanvangt vijf jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken.

2.

Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt.

3.

Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voorzover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.

4.

Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel d, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel 10c

Voor de toepassing van artikel 18h, tweede lid, van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van de wet, mits:

a.

loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend;

b.

de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen;

c.

de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de vakantie-uitkering;

d.

indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c, van de wet betrekking heeft, de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat;

e.

een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a, achtste lid, in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag.

Artikel 10d

1.

Als een verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht diensten naar Nederland mag verrichten.

2.

Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een pensioenregeling van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland overeenkomsten sluit.

3.

Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling, bedoeld in artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregelingen en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.

4.

De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding.

5.

De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.

6.

Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de aanspraken ingevolge een pensioenregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken, indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van een pensioen die voldoet aan de in artikel 19a van de wet gestelde voorwaarden.

Hoofdstuk 5. Aanvullende regelingen (Hoofdstuk VI van de wet)

Artikel 11

1.

De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 behorende inkomsten genieten:

a.

termijnen van lijfrenten, aan een meerderjarige verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, alsmede termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

b.

uitkeringen ingevolge de Ziektewet en ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten;

c.

uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

d.

uitkeringen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, ingevolge de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en ingevolge de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;

e.

[vervallen;]

f.

uitkeringen ingevolge de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946 (nr. 48) en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6 (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946, nr. 118), alsmede op deze uitkeringen betrekking hebbende toe- en bijslagen;

g.

uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand alsmede de in artikel 3a bedoelde uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen;

h.

uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet;

i.

uitkeringen uit de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Hulp voor nagelaten betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek 1940-1945);

j.

uitkeringen uit de Stichting Notarieel Pensioenfonds te 's-Gravenhage;

k.

uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan deelneming is verplicht gesteld op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;

l.

uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en ingevolge de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;

m.

uitkeringen ingevolge de Remigratiewet en de Remigratieregeling 1985;

n.

uitkeringen ingevolge de Toeslagenwet;

o.

uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

p.

uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;

q.

premies door gemeenten verstrekt in het kader van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;

r.

uitkeringen als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;

s.

inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet;

t.

uitkeringen ingevolge de Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW’ers;

u.

uitkeringen ingevolge de Tijdelijke regeling tegemoetkoming Anw-ers, zoals die luidde op 31 december 2006.

2.

De in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als loon uit vroegere arbeid.

Artikel 11a

Ten aanzien van de werknemer die niet in Nederland woont en die werkzaamheden verricht of heeft verricht in de in artikel 2, derde lid, van de wet genoemde dienstbetrekkingen, zijn de in artikel 28 en 29 van de wet opgenomen verplichtingen niet van toepassing, indien het heffingsrecht over het loon uit die dienstbetrekking op grond van een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen en de werknemer niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Artikel 12d

1.

Bij de beoordeling of binnen de in artikel 18a van de wet gestelde begrenzingen wordt gebleven, blijven bij een collectieve regeling buiten beschouwing:

a.

op 31 december 2005 bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de werknemer of gewezen werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt;

b.

op 31 december 2005 bestaande aanspraken, voorzover deze zijn opgebouwd door middel van een individuele aanvulling op de collectieve regeling.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een collectieve regeling verstaan een regeling of een gedeelte van een regeling waaraan de werknemer verplicht deelnam, voorzover de regeling of het gedeelte van de regeling voor de werknemer geen keuzemogelijkheid bood met betrekking tot de hoogte van het op te bouwen pensioen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een individuele aanvulling verstaan een pensioen dat in aanvulling op een collectieve regeling is opgebouwd.