Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr.
AV/PB/2006/88128;
Gelet op de
artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46,
60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de
Pensioenwet, de artikelen 42,
43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling,
artikel 12c, vijfde lid, van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
artikel 13, derde lid en 23, tweede lid,
van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000, artikel 65 en 67 van de
Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet,
artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en
tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur,
artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en
tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman,
artikel 99, eerste lid, van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,
artikel 33 en 34 van de Wet op de
loonbelasting 1964, artikel 1,
tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties,
artikel 24, tweede lid en artikel 55,
zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van
16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006,
Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170
B;