skip to sub menu skip to main content
nederland homeorganisatiebusiness issuesdienstenideeën en onderzoekactualiteiten

ideeën en onderzoek

Pensioenregelgeving

Home > Europe Home > Nederland Home > Ideeën en onderzoek > Pensioenregelgeving > Wet Financieel Toezicht

Ideeën en onderzoek

Overzicht
Technische en beleidspublicaties
Pensioenregelgeving
Pensioenwet
PSW
Wet Bpf 2000
Wet Financieel Toezicht
Wet VBP
Wet VPS
Gelijke behandeling
Fiscale pensioenregelgeving
Europese regelgeving
Overige
Pensioenbegrippen
Statistische data
Internet links
Worldwide Research

global web sites

Besluit gedragstoezicht financiele ondernemingen

[ Printversie ]

Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gedragstoezicht op financiële ondernemingen (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, nr. FM 2006-01681 M;

Gelet op richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEG L 375), richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG 1987 L 42), richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (PbEG L 228), richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen nr. 90/619/EEG, nr. 97/7/EG en nr. 98/27/EG (PbEG L 271), richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345) en richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9) en de artikelen 4:3, vierde lid, 4:5, derde lid, 4:9, derde lid, 4:10, derde lid, 4:11, derde en vierde lid, 4:14, tweede lid, 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel a en onderdeel b, onder 2°, 4:16, tweede en derde lid, 4:17, derde lid, 4:20, eerste lid, tweede lid, derde lid, aanhef en onderdeel b, vierde lid, en vijfde lid, 4:22, eerste lid, 4:25, eerste lid, 4:26, derde lid, 4:27, vierde lid, 4:30a, derde lid, 4:32, tweede lid, 4:33, derde en vierde lid, 4:34, derde lid, 4:43, tweede lid, 4:48, tweede lid, 4:49, tweede lid, aanhef en onderdeel e, 4:51, vierde lid, 4:52, derde lid, 4:56, eerste lid, 4:61, 4:71, vierde lid, 4:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, 4:73, derde lid, aanhef en onderdelen a en c, 4:74, tweede lid, 4:75, tweede lid, 4:76, tweede lid, 4:78, eerste lid, 4:85, derde lid, 4:86, 4:87, derde lid, 4:88, derde lid, en 4:89, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies van 20 september 2006, nr. W06.06.0334/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006 (nr. FM 2006-02268 M);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

§ 1.1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.

afsluitprovisie:

1°.

beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een bemiddelaar die rechtstreeks contact heeft met een consument ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product tussen een aanbieder en die consument rechtstreeks of middellijk ontvangt van de aanbieder van het complexe product; of

2°.

beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, die een bemiddelaar die rechtstreeks contact heeft met een consument en die een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, samenstelt of in de markt verkrijgbaar stelt, ter gelegenheid van de totstandkoming van een overeenkomst tussen een aanbieder en die consument inzake een financieel product dat onderdeel is van dat complexe product, rechtstreeks of middellijk ontvangt van de aanbieder van dat financiële product;

b.

bestuurder: indien het een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder betreft, een ieder die krachtens wet een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder vertegenwoordigt of het beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder bepaalt;

c.

betalingstermijn: tijdvak dat ligt tussen:

1°.

het tijdstip waarop een aanbieder ter uitvoering van een overeenkomst inzake krediet een geldsom ter beschikking stelt, of aanvangt met het verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject of met het verlenen van een dienst en het tijdstip waarop de consument gehouden is de eerste betaling ter zake daarvan te hebben gedaan: of

2°.

twee opeenvolgende tijdstippen waarop een consument gehouden is ter zake van een overeenkomst inzake krediet een betaling te hebben gedaan;

d.

complex product:

1°.

combinatie van twee of meer financiële producten die ten minste een financieel product omvat waarvan de waarde afhankelijk is van de ontwikkelingen op financiële markten of andere markten;

2°.

recht van deelneming in een beleggingsinstelling, niet zijnde een effect;

3°.

levensverzekering, niet zijnde een natura-uitvaartverzekering of een andere verzekering die uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon of een verzekering waarbij de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum;

4°.

combinatie van een hypothecair krediet met een levensverzekering als bedoeld onder 3°, of met een spaarrekening;

5°.

beleggingsobject;

6°.

ander financieel product dat bij ministeriële regeling kan worden aangewezen indien dit ten behoeve van de vergelijkbaarheid van de onder 2 tot en met 5 bedoelde complexe producten met dit financiële product in verband met de belangen die het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet beoogt te beschermen wenselijk is; of

7°.

combinatie van een of meer onder 2° tot en met 6° bedoelde complexe producten met een of meer financiële producten;

e.

consumptief krediet: krediet, niet zijnde hypothecair krediet;

f.

deposito: tegoed bij een bank dat onmiddellijk kan worden opgevraagd en waarvan de rentetermijn ten hoogste twaalf maanden bedraagt;

g.

doorlopende provisie:

1°.

beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die een bemiddelaar die rechtstreeks contact heeft met een consument na de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product tussen een aanbieder en die consument rechtstreeks of middellijk ontvangt van de aanbieder van het complexe product; of

2°.

beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, niet zijnde afsluitprovisie, die een bemiddelaar die rechtstreeks contact heeft met een consument en die een complex product als bedoeld in onderdeel d, onder 4°, samenstelt of in de markt verkrijgbaar stelt, na de totstandkoming van een overeenkomst tussen een aanbieder en die consument inzake een financieel product dat onderdeel is van dat complexe product rechtstreeks of middellijk ontvangt van de aanbieder van dat financiële product;

h.

doorlopend krediet: overeenkomst inzake:

1°.

geldkrediet waarbij de consument op verschillende tijdstippen geldsommen kan opnemen, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt; of

2°.

goederenkrediet waarbij de aanbieder of een derde gehouden is aan een consument op verschillende tijdstippen het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject te verschaffen of een dienst te verlenen, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt;

i.

eindtermen: normen met betrekking tot de vakbekwaamheid voor het verlenen van een bepaalde financiële dienst met betrekking tot een bepaald financieel product;

i.1.

financieel analist: een relevante persoon die tastbaar onderzoek op beleggingsgebied verricht;

j.

financieel derivaat: financieel instrument als bedoeld in artikel 4:60, eerste lid, onderdeel d, e, f of g, van de wet;

k.

financiële bijsluiter: document waarin informatie over de in artikel 66, eerste of tweede lid, genoemde onderwerpen met betrekking tot een complex product is weergegeven op de ingevolge dat artikel voorgeschreven wijze;

l.

geldmarktinstrument: financieel instrument als bedoeld in onderdeel c van de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de wet;

m.

gelieerde partij:

1°.

persoon die met een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden;

2°.

persoon die direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op het zakelijk of financieel beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder;

3°.

natuurlijke persoon die in een familierechtelijke betrekking staat tot een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of tot een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° of 2°;

4°.

natuurlijke persoon die een persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° of 2°, in welke relatie hij het handelen van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder kan beïnvloeden;

5°.

rechtspersoon waarin een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of een natuurlijke persoon als bedoeld onder 3° of 4°, direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon; of

6°.

natuurlijke persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder;

m.1.

gelieerd financieel instrument: een financieel instrument waarvan de prijs sterk wordt beïnvloed door prijsschommelingen van een ander financieel instrument dat het onderwerp van onderzoek op beleggingsgebied is of van een van dit andere financiële instrument afgeleid financieel instrument;

n.

hypothecair krediet: overeenkomst inzake krediet met een consument, bij het aangaan waarvan een recht van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde betaling, dan wel met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk effectief kredietvergoedingspercentage;

o.

incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;

p.

integriteitgevoelige functie:

1°.

leidinggevende functie direct onder de personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen; of

2°.

functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;

q.

integriteitrisico: gevaar voor de aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven;

r.

internationale jaarrekeningstandaarden: internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);

s.

kosten: bedragen die een financiële onderneming in rekening brengt of ten laste laat komen van een cliënt, consument of deelnemer;

t.

kredietlimiet:

1°.

maximum bedrag van door een consument bij de aanbieder van krediet op te nemen geldsommen ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend geldkrediet; of

2°.

maximumwaarde van door een aanbieder van krediet aan de consument te verschaffen genot van een zaak, financieel instrument of beleggingsobject, of te verlenen dienst ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend goederenkrediet;

u.

kredietsom:

1°.

geldsom die de consument in het kader van een overeenkomst inzake geldkrediet ter beschikking wordt gesteld, met dien verstande dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als die geldsom wordt aangemerkt; of

2°.

verschil tussen het totaal van de contante waarde van de roerende zaken, financiële instrumenten, beleggingsobjecten of diensten, waarvan de consument het genot wordt verschaft, onderscheidenlijk welke aan de consument worden verleend, in het kader van een overeenkomst inzake goederenkrediet, en de door deze in dat kader gedane contante betalingen, met dien verstande dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als dat verschil wordt aangemerkt;

v.

kredietvergoeding: kosten ter zake van een overeenkomst inzake krediet;

w.

maandlast: bedrag dat een consument verschuldigd is aan betalingen ter zake van krediet, berekend voor één kalendermaand, waaronder in ieder geval betalingen aan rente en aflossing in verband met het krediet;

w.1.

nauwe banden: situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

1°.

een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een rechtspersoon;

2°.

een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een andere rechtspersoon; een dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

w.2.

onderzoek op beleggingsgebied: onderzoek of andere voor het publiek bestemde informatie waarbij expliciet of impliciet een beleggingsstrategie wordt aanbevolen of voorgesteld ten aanzien van één of meerdere financiële instrumenten of uitgevende instellingen van financiële instrumenten, daaronder begrepen aanbevelingen betreffende de huidige of toekomstige waarde of koers van dergelijke instrumenten, welk onderzoek:

a.

als onderzoek op beleggingsgebied wordt gepresenteerd of op enigerlei andere wijze wordt voorgesteld als een objectieve of onafhankelijke verklaring van de aangelegenheden die in de aanbeveling aan de orde komen; en

b.

indien het tot een cliënt zou zijn gericht, geen adviseren is;

x.

op- en afslagen: bedragen waarmee de door de deelnemers voor rechten van deelneming in een beleggingsinstelling betaalde of ontvangen prijs of terugbetaling worden verhoogd onderscheidenlijk verlaagd ten opzichte van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming;

x.1.

persoonlijke transactie: een transactie in een financieel instrument door of in naam van een relevante persoon, waarbij:

1°.

de betrokken relevante persoon handelt anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf;

2°.

de transactie wordt verricht voor rekening van de relevante persoon;

3°.

de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon met wie de relevante persoon familiebanden of nauwe banden heeft; of

4°.

de transactie wordt verricht voor rekening van een persoon wiens relatie met de relevante persoon van dien aard is dat de relevante persoon een direct of indirect wezenlijk belang heeft bij het resultaat van de transactie afgezien van een provisie voor de uitvoering van de transactie;

y.

relevante persoon:

1°.

een persoon die het dagelijks beleid bepaalt of een verbonden agent is van een beleggingsonderneming;

2°.

een ieder die het dagelijks beleid bepaalt van een verbonden agent van een beleggingsonderneming;

3°.

een werknemer van de beleggingsonderneming of van een verbonden agent van de beleggingsonderneming of een andere natuurlijke persoon wiens diensten ter beschikking en onder zeggenschap staan van een beleggingsonderneming onderscheidenlijk de verbonden agent en die betrokken is bij het verrichten van beleggingsactiviteiten of het verlenen van beleggingsdiensten door de beleggingsonderneming; of

4°.

een natuurlijke persoon die uit hoofde van een overeenkomst tot uitbesteding met het oog op het verlenen of verrichten door de beleggingsonderneming van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten rechtstreeks betrokken is bij het verrichten van diensten ten behoeve van de beleggingsonderneming of haar verbonden agent;

z.

retourprovisie: gedeelte van een door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect door de ontvanger wordt terugbetaald of doorbetaald;

aa.

risico-indicator: weergave van het risiconiveau van een complex product;

bb.

serie van beleggingsobjecten: verzameling van beleggingsobjecten waarvoor hetzelfde beleggingsobjectprospectus, bedoeld in artikel 4:30a, van de wet wordt opgesteld;

cc.

termijnbedrag: bedrag van de betaling die een consument aan het einde van een betalingstermijn moet hebben gedaan;

dd.

theoretische looptijd: lengte van de periode gedurende welke een consument ter zake van een doorlopend krediet gehouden is betalingen te doen berekend op de in bijlage A bij dit besluit aangegeven wijze;

ee.

toetstermen: criteria waaraan de vakbekwaamheid van een persoon wordt getoetst om te kunnen vaststellen of deze voldoet aan de eindtermen;

ff.

totale prijs van het krediet: som van de door een consument te betalen maandlasten gedurende de looptijd van een kredietovereenkomst, of, indien het doorlopend krediet betreft, gedurende de theoretische looptijd van een kredietovereenkomst;

gg.

uitstaand saldo:

1°.

indien het geldkrediet betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de tot en met dat tijdstip door de consument opgenomen geldsommen, vermeerderd met de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;

2°.

indien het goederenkrediet betreft: op enig tijdstip bestaand totaal van de contante waarde van de roerende zaken, financiële instrumenten, beleggingsobjecten of diensten waarvan tot en met dat tijdstip aan de consument het genot is verschaft, of welke tot en met dat tijdstip aan de consument zijn verleend, vermeerderd met het totaalbedrag van de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;

hh.

wet: Wet op het financieel toezicht.

Hoofdstuk 8. Zorgvuldige dienstverlening

Afdeling 8.1. Informatieverstrekking

§ 8.1.1. Inleidende bepaling

Bepaling ter uitvoering van de artikelen 4:22, eerste lid, 4:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, en 4:73, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet

Artikel 49

1.

Een financiële onderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:72, eerste lid, en 4:73, eerste lid, van de wet aan de consument of cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling anders wordt bepaald. De financiële onderneming kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien zij zich ervan heeft vergewist dat de consument onderscheidenlijk cliënt over de benodigde middelen beschikt om kennis te nemen van de aldus te verstrekken informatie.

2.

De financiële onderneming verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, in de Nederlandse taal. De informatie kan in een andere taal worden verstrekt:

a.

indien de consument of cliënt daarom verzoekt en de financiële onderneming hiermee heeft ingestemd;

b.

indien partijen een keuze hebben gemaakt voor de toepasselijkheid van het recht van een andere staat op de overeenkomst inzake een financieel product; of

c.

indien het een financiële bijsluiter met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling betreft en de Autoriteit Financiële Markten op verzoek van de beheerder daarmee heeft ingestemd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het verstrekken van informatie met betrekking tot het verlenen van beleggingsdiensten.

Artikel 49a

1.

Een beleggingsonderneming verstrekt de ingevolge deze afdeling en de artikelen 4:20, derde lid, 4:90b, derde en achtste lid, en artikel 4:90c, derde lid, van de wet aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij in deze afdeling of die artikelen anders wordt bepaald. De beleggingsonderneming kan na toestemming van de cliënt, de informatie op een andere duurzame drager verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet.

2.

Een beleggingsonderneming kan, na toestemming van de cliënt, de op grond van de artikelen 58a tot en met 58e en 59a te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website verstrekken indien:

a.

het gebruik van de website past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet;

b.

de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen;

c.

de informatie actueel is en, zolang dat voor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft.

3.

De verstrekking van informatie door de beleggingsonderneming aan de cliënt via elektronische mededelingen past in de context waarin de beleggingsonderneming met de cliënt zaken doet, indien is bewezen dat de cliënt regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de cliënt een e-mailadres opgeeft om zaken te kunnen doen geldt in ieder geval als bewijs hiervan.

§ 8.1.2. Algemene informatie over beheerders, beleggingsinstellingen, bewaarders, beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 4:22, eerste lid, van de wet

Artikel 50

1.

Een beheerder houdt de volgende gegevens beschikbaar op zijn website:

a.

de gegevens omtrent hemzelf, de door hem beheerde beleggingsinstellingen en de bewaarders die aan de beleggingsinstellingen zijn verbonden welke ingevolge enig wettelijk voorschrift in het handelsregister moeten worden opgenomen;

b.

de overeenkomst, bedoeld in artikel 4:43, eerste lid, van de wet;

c.

zijn vergunning; en

d.

elk door de Autoriteit Financiële Markten genomen geldend besluit tot ontheffing van het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot hemzelf, de door hem beheerde beleggingsinstellingen en de eventueel daaraan verbonden bewaarder.

De beheerder verstrekt deze gegevens desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan een ieder.

2.

Een beheerder publiceert ten behoeve van de deelnemers in een door hem beheerde beleggingsinstelling maandelijks een opgave met toelichting van de hierna te noemen gegevens op zijn website, waarbij tussen de tijdstippen van opstelling een periode van ten minste een week ligt. De opgave is, indien van toepassing, mede door de bewaarder ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens:

a.

de totale waarde van de beleggingen van de beleggingsinstelling;

b.

een overzicht van de samenstelling van de beleggingen;

c.

het aantal uitstaande rechten van deelneming; en

d.

voorzover het betreft een beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald: de meest recente bepaalde intrinsieke waarde van de rechten van deelneming, onder vermelding van het moment waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond.

De beheerder verstrekt deze opgave desgevraagd tegen ten hoogste de kostprijs aan de deelnemers in de beleggingsinstelling.

3.

Een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, deelt desgevraagd aan ieder de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming mee. De intrinsieke waarde wordt bepaald op het meest recente moment van in- en uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 51

1.

Een beleggingsonderneming of kredietinstelling deelt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek mede aan welke systemen als bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de kredietinstelling deelneemt.

2.

Een beleggingsonderneming of kredietinstelling verstrekt aan een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft op verzoek informatie over de belangrijkste regels die gelden voor de werking van de systemen bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, waaraan de beleggingsonderneming onderscheidenlijk de kredietinstelling deelneemt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.

§ 8.1.2a. Informatieverstrekking door beleggingsondernemingen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 4:19, vierde lid, van de wet

Artikel 51a

1.

De door een beleggingsonderneming aan een niet-professionele belegger verstrekte informatie:

a.

bevat de naam van de beleggingsonderneming;

b.

is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een beleggingsdienst of financieel instrument zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico´s wordt gegeven;

c.

is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht; en

d.

geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.

2.

Indien in de informatie beleggingsdiensten, nevendiensten, personen die deze diensten verrichten of financiële instrumenten onderling worden vergeleken:

a.

is de vergelijking zinvol en op correcte en evenwichtige wijze voorgesteld;

b.

worden de voor de vergelijking gebruikte informatiebronnen vermeld; en

c.

worden de voornaamste voor de vergelijking gebruikte feiten en aannames vermeld.

3.

Indien de informatie een indicatie bevat van de resultaten die in het verleden met een financieel instrument, een financiële index of een beleggingsdienst zijn behaald:

a.

vormt deze indicatie niet het meest opvallende kenmerk van de mededeling;

b.

bevat de informatie passende gegevens over de resultaten over de onmiddellijk voorafgaande vijf jaar of over de gehele periode waarin het financiële instrument is aangeboden, de financiële index is vastgesteld of de beleggingsdienst is verleend, indien deze periode korter is dan vijf jaar, dan wel over een door de onderneming gekozen langere periode waarbij altijd wordt uitgegaan van volledige perioden van twaalf maanden;

c.

worden de referentieperiode en de informatiebron duidelijk aangegeven;

d.

wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om resultaten uit het verleden gaat en dat deze geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten;

e.

wordt, indien de indicatie berust op gegevens die in een andere valuta luiden dan die van de lidstaat waarin de niet-professionele belegger woonachtig is, de desbetreffende valuta duidelijk vermeld en wordt tegelijk gewaarschuwd dat het rendement door valutaschommelingen hoger of lager kan uitvallen; en

f.

wordt indien de indicatie op brutoresultaten berust, het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld.

4.

Indien de informatie fictieve, in het verleden behaalde resultaten bevat of daarnaar verwijst, heeft deze betrekking op een financieel instrument of een financiële index, en:

a.

berusten de fictieve, in het verleden behaalde resultaten op de feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald met een of meer financiële instrumenten of financiële indices die identiek zijn aan of de onderliggende waarde vormen van het betrokken financiële instrument;

b.

is op de onder a bedoelde feitelijke resultaten die in het verleden zijn behaald, het derde lid, onderdelen a, b, c, e en f van overeenkomstige toepassing; en

c.

wordt in de informatie duidelijk gewaarschuwd dat het om fictieve, in het verleden behaalde resultaten gaat en dat in het verleden behaalde resultaten geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.

5.

Indien de informatie gegevens over toekomstige resultaten bevat:

a.

wordt niet uitgegaan van of verwezen naar fictieve in het verleden behaalde resultaten;

b.

wordt uitgegaan van redelijke aannames die worden ondersteund door objectieve gegevens;

c.

wordt het effect van provisies, vergoedingen en andere lasten vermeld indien de informatie op brutoresultaten berust; en

d.

wordt duidelijk gewaarschuwd dat dergelijke prognoses geen betrouwbare indicator vormen voor toekomstige resultaten.

6.

Indien de informatie verwijst naar een bepaalde fiscale behandeling, wordt duidelijk vermeld dat deze behandeling afhangt van de individuele omstandigheden van de cliënt en in de toekomst aan wijzigingen onderhevig kan zijn.

7.

In de informatie wordt de naam van de toezichthouder niet zodanig gebruikt dat daarmee wordt beweerd of gesuggereerd dat deze de producten of diensten van de beleggingsonderneming steunt of aanbeveelt.

§ 8.1.3. Reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie

Bepalingen ter uitvoering van artikel 4:22, eerste lid, van de wet

Artikel 52

1.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

2.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product door het weergeven van een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

3.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de radio informatie verstrekt over een complex product, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

4.

Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over dat product, verwijst zij daarbij naar de financiële bijsluiter of, indien het rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat betreft, naar het vereenvoudigd prospectus, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen.

5.

Indien een financiële onderneming voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product, anders dan in een reclame-uiting via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement, verstrekt zij daarbij informatie over de belangrijkste kosten en de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, over de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.

6.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting via de televisie of de radio informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement van een complex product, verstrekt zij daarbij of op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat product informatie over de belangrijkste kosten van dat product.

7.

Indien een financiële onderneming voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over een gegarandeerd rendement, verstrekt zij daarbij of, indien de informatie wordt verstrekt in een reclame-uiting, op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake dat product, informatie over de belangrijkste voorwaarden van die garantie.

8.

Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.

9.

Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing indien het een complex product betreft, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan personen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.

10.

Het eerste lid, met uitzondering van de verplichting om een risico-indicator te verstrekken, en het derde tot en met zevende lid, zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen voor zover zij beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen met betrekking tot deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen.

Artikel 53

1.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of een maandlast van een krediet, verstrekt zij daarbij, naast het effectief kredietvergoedingspercentage en de maandlast, tevens informatie over:

a.

de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet;

b.

de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde looptijd of theoretische looptijd;

c.

de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet;

d.

het feit dat het een krediet, niet zijnde een doorlopend krediet, of een doorlopend krediet betreft; en

e.

indien van toepassing, de om in aanmerking te komen voor het krediet af te sluiten verzekeringen en ten behoeve van de aanbieder te vestigen zekerheidsrechten.

2.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet via de televisie of radio informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage dan wel een maandlast van een krediet, verstrekt zij:

a.

in die reclame-uiting informatie over de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet en de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet; en

b.

op enig ander moment voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake het krediet waarop de reclame-uiting betrekking heeft, naast het effectief kredietvergoedingspercentage, de maandlast, de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet en de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet, informatie over:

1°.

de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde looptijd of de theoretische looptijd;

2°.

het feit dat het een krediet, niet zijnde een doorlopend krediet, of een doorlopend krediet betreft; en

3°.

indien van toepassing, de om in aanmerking te komen voor het aangeboden krediet af te sluiten verzekeringen en ten behoeve van de aanbieder te vestigen zekerheidsrechten.

3.

Een financiële onderneming betrekt in de berekening van de maandlast, bedoeld in het eerste of tweede lid, alle kosten die de consument verschuldigd is om voor het betreffende krediet in aanmerking te komen. De informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiële onderneming worden verstrekt.

4.

Een financiële onderneming geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en de onderdelen a tot en met c, het tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, en, indien van toepassing, het zesde en zevende lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.

5.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.

6.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of over een kredietvergoeding die voor een beperkte duur geldt, dan wel in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over een variabele kredietvergoeding die voor een beperkte duur afwijkt van de variabele kredietvergoeding die op het moment van het doen van de reclame-uiting geldt voor overeenkomsten over krediet van gelijke soort, omvang en duur:

a.

verstrekt zij daarbij informatie over de periode waarin het aangeboden effectief kredietvergoedingspercentage of de kredietvergoeding geldt;

b.

verstrekt zij daarbij informatie over de hoogte van het effectief kredietvergoedingspercentage of de kredietvergoeding na afloop van deze periode dan wel, indien de hoogte van dat effectief kredietvergoedingspercentage of die kredietvergoeding variabel is of nog niet kan worden vastgesteld, over de op het tijdstip van het doen van de reclame-uiting geldende kredietvergoeding voor overeenkomsten over krediet van gelijke soort, omvang en duur en wijst zij op de mogelijkheid van een hoger effectief kredietvergoedingspercentage in de toekomst; en

c.

baseert zij de overige op grond van het eerste of het tweede lid te verstrekken informatie over de kenmerken van het krediet op het effectief kredietvergoedingspercentage of op de kredietvergoeding na afloop van deze periode met dien verstande dat de informatie over de totale prijs van het krediet wordt gebaseerd op de gehele looptijd van het krediet.

7.

Als maandlast als bedoeld in dit artikel wordt in de reclame-uiting de gewogen gemiddelde maandlast die op het krediet van toepassing is genoemd. Indien het krediet geheel of gedeeltelijk aflossingsvrij is, worden, onverminderd het zesde lid, de gewogen gemiddelde maandlast in de aflossingsvrije periode en de bij de aflossing te betalen gewogen gemiddelde maandlast genoemd.

8.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over de hoogte van de kredietvergoeding, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.

9.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over de hoogte van een korting op een effectief kredietvergoedingspercentage of op een kredietvergoeding, verstrekt zij daarbij informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage, dan wel de kredietvergoeding waarop de korting van toepassing is.

10.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting over krediet informatie verstrekt over het effectief kredietvergoedingspercentage, duidt zij deze aan als «effectieve rente op jaarbasis».

11.

Een financiële onderneming:

a.

neemt in een reclame-uiting over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;

b.

brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen; en

c.

geeft in een reclame-uiting over krediet geen kenmerken van het krediet weer waarin fiscale voordelen zijn verwerkt.

12.

Indien een financiële onderneming in een reclame-uiting informatie als bedoeld in het eerste of tweede lid of informatie over een specifiek product verstrekt over een krediet, verstrekt zij daarbij informatie over de verkrijgbaarheid van het kredietprospectus, bedoeld in artikel 4:33, eerste lid, van de wet. De eerste volzin is niet van toepassing op reclame-uitingen over krediet, voorzover het krediet onderdeel uitmaakt van een complex product.

13.

Indien een financiële onderneming informatie verstrekt over de kenmerken van het krediet, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

14.

Artikel 49, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.

Artikel 54

De Autoriteit Financiële Markten kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in de artikelen 52 en 53, wordt gepresenteerd of geformuleerd, de wijze van berekening van historische of toekomstige rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in artikel 52, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en de wijze van berekening van de kosten van verzekeringen en zekerheidsrechten als bedoeld in 53, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, onderdeel b, onder 3°.

Artikel 55

1.

In een reclame-uiting over een beheerder of beleggingsinstelling worden in ieder geval vermeld:

a.

de naam van de beheerder of beleggingsinstelling;

b.

het feit dat het een beheerder of beleggingsinstelling betreft;

c.

dat de beheerder of de beleggingsinstelling is opgenomen in het register dat wordt gehouden door de Autoriteit Financiële Markten; en

d.

indien het een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft: waar het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, van de wet, verkrijgbaar is.

2.

Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op reclame-uitingen op radio en televisie.

3.

Onverminderd artikel 52 wordt in een reclame-uiting anders dan via de televisie of radio over een instelling voor collectieve belegging in effecten, indien van toepassing, duidelijk de aandacht gevestigd op het feit dat:

a.

de instelling voor collectieve belegging in effecten voornamelijk belegt in financiële derivaten;

b.

de instelling voor collectieve belegging in effecten een aandelen- of obligatie-index volgt;

c.

de waarde van de activa van de instelling voor collectieve belegging in effecten als gevolg van het beleggingsbeleid sterk kan fluctueren; of

d.

aan de instelling voor collectieve belegging in effecten een ontheffing als bedoeld in artikel 136, tweede lid, is verleend onder vermelding van de staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie die de financiële instrumenten, bedoeld in het artikel 136, tweede lid, uitgeeft of garandeert waarin de instelling voor collectieve belegging in effecten beleggingsinstelling voor meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt.

Artikel 56

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vorm van waarschuwingszinnen in reclame-uitingen van beleggingsondernemingen.

§ 8.1.4. Verplichte precontractuele informatie

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 4:20, eerste en tweede lid, artikel 4:22, eerste lid, 4:73, derde lid, aanhef en onderdeel a, en 4:90b, tiende lid, van de wet

Artikel 57

1.

Een financiëledienstverlener verstrekt een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product of financiële dienst ten minste de volgende informatie:

a.

zijn naam en adres en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;

b.

de aard van zijn financiële dienstverlening;

c.

voorzover artikel 4:17 van de wet van toepassing is: zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten; en

d.

zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register.

2.

In afwijking van artikel 49, eerste lid, kan de informatie, bedoeld in het eerste lid, en in artikel 4:73, eerste lid, van de wet, op verzoek van de cliënt mondeling worden verstrekt, indien het financiële product een verzekering is en onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In dat geval verstrekt de financiëledienstverlener de informatie tevens onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst overeenkomstig artikel 49, eerste lid, aan de cliënt.

Artikel 58 [Treedt in werking per 01-10-2009]

Artikel 58a

1.

Een beleggingsonderneming verstrekt voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst aan een niet-professionele belegger:

a.

informatie over de wederzijdse rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst met betrekking tot de beleggings- of nevendienst;

b.

de in artikel 58b bedoelde informatie over de overeenkomst of de beleggingsdiensten of nevendiensten;

c.

de overige op grond van de artikelen 58b tot en met 58e vereiste informatie.

2.

In afwijking van het eerste lid mag een beleggingsonderneming de informatie bedoeld in het eerste lid verstrekken onmiddellijk na aanvang van het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst, indien:

a.

zij de in het eerste lid genoemde termijnen niet in acht heeft kunnen nemen omdat de overeenkomst op verzoek van de niet-professionele belegger is gesloten door middel van een techniek voor communicatie op afstand die haar belet de informatie overeenkomstig het eerste lid te leveren; of

b.

de beleggingsonderneming ten aanzien van de niet-professionele belegger voldoet aan artikel 79, eerste lid, als ware deze belegger een consument en de beleggingsonderneming een financiële dienstverlener.

3.

Indien een reclame-uiting van een beleggingsonderneming een aanbod bevat om een overeenkomst met betrekking tot een financieel instrument of een beleggings- of nevendienst aan te gaan, of de uitnodiging bevat om een dergelijk aanbod te doen en vermeldt hoe hierop kan worden gereageerd, wordt daarin tevens de voor het aanbod of de uitnodiging van belang zijnde informatie als bedoeld in de artikelen 58b tot en met 58e opgenomen.

4.

Het derde lid is niet van toepassing indien het aanbod of de uitnodiging is gericht tot een niet-professionele belegger en deze voor een reactie wordt verwezen naar een ander document of andere documenten die afzonderlijk of tezamen deze informatie bevatten.

Artikel 58b

1.

De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdelen b en c, omvat de volgende gegevens:

a.

de naam, het adres en de contactgegevens van de beleggingsonderneming;

b.

de talen waarin de cliënt met de beleggingsonderneming kan communiceren en stukken en andere informatie van haar kan ontvangen;

c.

methoden van communicatie tussen de beleggingsonderneming en de cliënt, waaronder die betreffende het versturen en ontvangen van orders;

d.

een verklaring waarin staat dat de beleggingsonderneming over een vergunning beschikt, alsmede de naam en het contactadres van de toezichthouder die de vergunning heeft verleend;

e.

een verklaring dat de beleggingsonderneming door tussenkomst van een verbonden agent beleggingsdiensten verleent en in welke lidstaat deze agent in een register staat ingeschreven;

f.

aard, frequentie en tijdschema van de rapporten over de verrichting van de dienst die overeenkomstig de artikelen 69, 70, 71 en 71a door de beleggingsonderneming aan de cliënt worden toegezonden;

g.

indien de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden van cliënten aanhoudt, een korte beschrijving van de maatregelen die zij heeft genomen om deze financiële instrumenten of gelden te beschermen, alsmede beknopte gegevens over de vangnetregeling die op de onderneming van toepassing is;

h.

een beschrijving, die in beknopte vorm mag worden verstrekt, van het beleid inzake belangenconflicten dat de onderneming overeenkomstig artikel 35a voert;

i.

indien de cliënt daarom verzoekt, nadere bijzonderheden over het beleid inzake belangenconflicten.

2.

Een beleggingsonderneming stelt bij het beheren van een individueel vermogen op basis van de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en de soorten financiële instrumenten in de portefeuille van de cliënt, een geschikte evaluatie- en vergelijkingsmethode vast, zodat de cliënt de prestaties van de onderneming kan beoordelen.

3.

Een beleggingsonderneming verstrekt bij het beheren van een individueel vermogen van een niet- professionele belegger, naast de informatie op grond van het eerste lid, voor zover van toepassing, aan de cliënt informatie over:

a.

de waarderingsmethode en -frequentie voor de financiële instrumenten in diens portefeuille;

b.

de bijzonderheden van een eventuele overdracht van het beheer op discretionaire basis van alle of een deel van de financiële instrumenten of gelden in de portefeuille van de cliënt;

c.

elke evaluatie- of vergelijkingsmaatstaf, bedoeld in het tweede lid, waartegen de resultaten van de portefeuille worden afgezet;

d.

de soorten financiële instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille en de soorten transacties die in deze instrumenten mogen worden verricht, alsmede de begrenzingen;

e.

de beheersdoelstellingen, de omvang van het risico dat voortvloeit uit de beoordelingsruimte die de beleggingsonderneming heeft, alsmede eventuele specifieke beperkingen in deze beoordelingsruimte.

Artikel 58c

1.

De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om de niet-professionele belegger in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.

2.

De beschrijving van de risico’s, bedoeld in het eerste lid, omvat, indien van toepassing, mede:

a.

de risico´s die verbonden zijn aan het desbetreffende soort financiële instrument, waaronder een uitleg over de hefboomwerking en de gevolgen daarvan en het risico dat de gehele belegging verloren gaat;

b.

de volatiliteit van de prijs van het desbetreffende soort financiële instrument en eventuele beperkingen in de bestaande markt daarvoor;

c.

het feit dat de cliënt met transacties in dergelijke instrumenten naast de aanschaffingskosten extra financiële- en andere verplichtingen, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, zou kunnen aangaan;

d.

eventuele marge- of soortgelijke verplichtingen die van toepassing zijn op het desbetreffende soort financiële instrumenten.

3.

Een beleggingsonderneming die aan een niet-professionele belegger informatie verstrekt over een financieel instrument waarvoor overeenkomstig de richtlijn prospectus een prospectus is gepubliceerd, deelt de cliënt mede waar dit prospectus verkrijgbaar is.

4.

Indien aangenomen mag worden dat de risico´s die verbonden zijn aan een financieel instrument dat uit twee of meer verschillende financiële instrumenten bestaat, groter zijn dan de risico´s die verbonden zijn aan elk van de financiële instrumenten afzonderlijk, verstrekt de beleggingsonderneming een adequate beschrijving van de verschillende financiële instrumenten waaruit het instrument bestaat en van de risicoverhogende wisselwerking daartussen.

5.

Een beleggingsonderneming verstrekt over een financieel instrument dat een garantie van een derde omvat, aan een niet-professionele belegger voldoende bijzonderheden over de garantie en de garantiegever.

6.

Een financiële bijsluiter die voldoet aan het ingevolge artikel 66, tweede en derde lid, van dit besluit bepaalde of een vereenvoudigd prospectus dat voldoet aan artikel 28 van de richtlijn beleggingsinstellingen wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt.

Artikel 58d

1.

De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat, indien van toepassing, gegevens over de omstandigheid dat een derde namens de beleggingsonderneming financiële instrumenten of gelden die toebehoren aan de niet-professionele belegger kan aanhouden, alsmede gegevens over haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten van de derde en voor de gevolgen die insolventie van de derde voor de cliënt heeft.

2.

Indien een derde namens een beleggingsonderneming, voor zover het toepasselijke recht dit toelaat, financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger op een omnibusrekening mag aanhouden, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

3.

Indien het op grond van het toepasselijke recht niet mogelijk is om door een derde

namens een beleggingsonderneming aangehouden financiële instrumenten die toebehoren aan een niet-professionele belegger te onderscheiden van de financiële instrumenten die toebehoren aan deze derde of de beleggingsonderneming zelf, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en waarschuwt zij op duidelijke wijze voor de risico’s die daaruit voortvloeien.

4.

Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een niet-professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.

5.

Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.

6.

Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten aanhoudt die toebehoren aan een niet-professionele belegger verstrekt, geruime tijd voordat zij effectenfinancieringstransacties aangaat met betrekking tot die financiële instrumenten, of van dergelijke financiële instrumenten anderszins voor eigen rekening of voor rekening van een andere cliënt gebruikmaakt, de cliënt voorafgaand aan het gebruik van deze instrumenten duidelijke, volledige en accurate informatie over haar verplichtingen en verantwoordelijkheden met betrekking tot het gebruik van deze financiële instrumenten, met inbegrip van de voorwaarden voor restitutie ervan, alsmede over de risico´s die uit dat gebruik voortvloeien.

Artikel 58e

1.

De informatie, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, onderdeel c, omvat gegevens over de kosten en bijbehorende lasten, die voor zover van toepassing bestaat uit de volgende elementen:

a.

de totale prijs van het financiële instrument, de beleggingsdienst of nevendienst, met inbegrip van alle bijbehorende kosten en als geen exacte prijs kan worden gegeven de grondslag voor de berekening van de totale prijs.

b.

de door de beleggingsonderneming in rekening gebrachte provisies;

c.

een vermelding van de desbetreffende buitenlandse valuta en de toepasselijke omrekeningskoers en wisselkosten, wanneer een deel van de totale prijs moet worden betaald in of luidt in een buitenlandse valuta;

d.

vermelding van de mogelijkheid dat transacties die verband houden met het financiële instrument of de beleggingsdienst, nog andere kosten, voor de niet-professionele belegger kunnen meebrengen die niet via de beleggingsonderneming worden betaald of door haar worden opgelegd;

e.

de regelingen voor betaling of andere prestaties met betrekking tot de uitvoering van de beleggings- of nevendienst.

2.

Een financiële bijsluiter die voldoet aan het ingevolge artikel 66, tweede en derde lid, van dit besluit bepaalde of een vereenvoudigd prospectus dat voldoet aan artikel 28 van de richtlijn beleggingsinstellingen wordt voor de toepassing van artikel 4:20, eerste lid, van de wet met betrekking tot een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als passende informatie aangemerkt wat de aan de beleggingsinstelling zelf verbonden kosten en bijbehorende lasten, met inbegrip van de instap- en uitstapprovisies, betreft.

Artikel 58f

1.

De beleggingsonderneming verstrekt aan een professionele belegger een algemene beschrijving van de aard en risico’s van financiële instrumenten die gedetailleerd genoeg is om hem in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen.

2.

Artikel 58c, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beschrijving van de aard en risico’s bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien op een rekening waarop financiële instrumenten of gelden worden aangehouden die aan een professionele belegger toebehoren, het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, brengt de beleggingsonderneming de cliënt daarvan op de hoogte en wijst zij erop dat dit van invloed kan zijn op de rechten die aan deze financiële instrumenten of gelden verbonden zijn.

4.

Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten of gelden aanhoudt die toebehoren aan een professionele belegger brengt hem op de hoogte van het bestaan en de voorwaarden van zakelijke zekerheidsrechten of voorrechten die zij heeft of kan hebben op die financiële instrumenten of gelden, en van haar eventuele recht van verrekening op deze financiële instrumenten of gelden. Voor zover van toepassing brengt zij de cliënt er ook van op de hoogte dat een bewaarder een zakelijk zekerheidsrecht, een voorrecht of een recht van verrekening op deze instrumenten of gelden heeft of kan hebben.

5.

Een beleggingsonderneming verstrekt de in dit artikel bedoelde informatie aan een professionele belegger voorafgaand aan het verlenen van een beleggingsdienst of nevendienst.

6.

Artikel 58c, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 59

Een beleggingsonderneming verstrekt een niet-professionele belegger voorafgaand aan het uitvoeren van een order met betrekking tot een financieel instrument voor diens rekening de volgende informatie over haar orderuitvoeringsbeleid:

a.

een uitleg over het relatieve gewicht dat de beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 4:90a, tweede lid, van de wet toekent aan de in artikel 4:90a, eerste lid, van de wet genoemde factoren, of over de wijze waarop zij het relatieve gewicht van deze factoren bepaalt;

b.

een overzicht van de plaatsen van uitvoering waarop de beleggingsonderneming een aanzienlijk beroep doet om haar verplichting na te komen om alle redelijke maatregelen te nemen teneinde bij de uitvoering van orders van cliënten steeds het best mogelijke resultaat te behalen;

c.

een duidelijke waarschuwing dat een specifieke instructie van de cliënt de beleggingsonderneming kan beletten de door haar vastgestelde en in haar orderuitvoeringsbeleid opgenomen maatregelen te nemen om bij de uitvoering van de desbetreffende order het best mogelijke resultaat te behalen voor de elementen waarvoor deze instructie geldt.

Artikel 60

1.

Onverminderd de artikelen 57 en 58 verstrekt een levensverzekeraar een cliënt voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering, voorzov